Selecteer een pagina

13 april 1953 – Evenwicht en harmonie

Laat ons dankbaar zijn, dat wij deze avond voltallig met elkander samenkomen. Laat ons in deze dankbaarheid een nieuwe verbondheid met elkander beleven. En uit die verbondheid kracht putten om hoopvol verder te gaan op den weg die wij gezamenlijk vervolgen mogen!

Wij zijn dankbaar, wij zijn gelúkkig, dat Gij allen – zoals wij – hier tezamen gekomen zijn. Wij hopen, ja wij verwachten ook, dat dit uur ons allen – stoffelijke en geestelijke mensen – verkwikken, versterken en helen zal. Wij komen tot U met de gaven – die wij hébben van den Vader – die verkwikking brengen voor de geest, voor de ziel en dus voor het lichaam. Wij komen tot U in de liefde van Hem, die onze Vader is, Die ons schiep.

Wij mogen U brengen Zijn goede gaven voor de gehele mens! Dat is ons grote voorrecht, dat is het doel van ons samenkomen, dat is wat ons verbindt, U en ons. Gij komt, omdat er in U een vraag is, omdat er bij U een nood bestaat. En wij komen, in de liefde van den Vader, U tegemoet om U door te geven, dat wat wijzelf ontvangen en ontvangen hebben van Zijn Goddelijke gaven – die zich uitdrukken willen door ons en door U, tot verheerlijking van Zijn Naam, tot verbreiding en versteviging van Zijn Koninkrijk. Dat brengt ons hier, dat verbindt ons.

Wij beginnen in dankbaarheid. Wij beginnen met het uitspreken van de erkentelijkheid die wij hebben aan den Gever van alle goeds, dat wij hier zo samen komen mogen. Dat er krácht is die in ons werken wil, kracht van God zelf, opdat dóór ons anderen getrokken, gesterkt en bevestigd mogen worden in Zijn liefde.

Wij hebben U op velerlei wijzen reeds gesproken over de verbondenheid, harmonie, eenheid. Daarbij doelden wij op de verhouding tussen U stoffelijke mensen onderling, en op de verhouding tussen U en ons, de geestelijke mensen, die met U samen het levenspad vervolgen willen en mogen.

Maar er is óók een aspect van harmonie, verbondenheid en eenheid met betrekking tot ieder individu, ieder ‘mens’ op zichzelf. Dáárover willen wij gaarne vanavond enige woorden met U spreken.

Er is in ieder mens een verscheidenheid van kwaliteiten, een variatie van mogelijkheden en…. van wat vraagt om vervuld te worden. Allerlei eigenschappen liggen in den mens, sommige bewust, andere minder bewust nog. Ieder mens, zoals Gij dien ziet, is inconcreet. Ieder mens, bezien met het stoffelijk oog, is onvolledig gezien. Ieder mens heeft méér dan wat zintuigelijk waarneembaar is.

Gij kent reeds het woord, dat de mens is: Geest, ziel en lichaam. En toch…. daarmee zijn wij ook nog weer niet klaar. Er is méér, véél meer nog! De mens in de stoffelijke gedaante, met alles wat aanwijsbaar is in de stof, is slechts een afspiegeling van het grotere van dien mens, dat zó niet waarneembaar is.

Er zijn wegen en kanalen, die ieder mens verbinden met het heelal, waarlangs hem of haar kracht, energie, toegevoegd wordt.

Er zijn andere wegen, andere kanalen waarlangs de mens verbondenheid beleven kan in het gevoelsleven.

Er is ook een gebied, waarop de mens als het ware verstandelijk zich bewegen kan, een gebied, dat tot zijn eigen wezen behoort en dat een onderdeel uitmaakt van zijn eigen gestalte.

Men heeft in Uw wereld daarvoor woorden gevonden, die inderdaad vrij juist aangeven wat wij bedoelen. Men spreekt van astrale omhulling van den mens. Men spreekt van het mentale gebied, dat om den mens heen zich gevormd heeft. Men kent ook het ether-lichaam van den mens. Al deze gedaanten tezámen vormen de “gehele mens.” En mijn vrienden, er is meer nog dan wat wij reeds in Uw woorden uitdrukten.

Wat Gij waarneemt, wat Gij ziet in de stoffelijke vorm, is uitdrukking van ál het ongeziene. Wij willen U daaromtrent in de loop van onze volgende bijeenkomsten, wanneer de gelegenheid zich daartoe voordoet, gaarne verder vertellen van wat wij waarnemen mogen en wat er werkelijk is. Wij komen niet tot U met verzinsels of bedenksels. Ieder woord, dat reeds geschreven of gesproken is omtrent deze onthullingen van den mens, berust op waarneembare feiten, ook al zijn Uw zintuigen nog niet zo fijn afgestemd dat Gij dit alles zelf waarnemen kunt.

Nu hebben wij gesproken over “harmonie.” Een ander woord voor wat wij bedoelen zou wellicht gekozen kunnen worden in het woord “evenwicht.” Ja, wanneer er evenwicht is in de grotere gestalte – die waarneembaar is voor ons – én reeds voor velen in de stoffelijke sfeer – wanneer daar evenwicht heerst, dan kunt Gij ook aannemen, dat de uitdrukking van het grotere beeld van de mens, zoals wij het U zojuist omschreven hebben, ook teweeg brengt in de stoffelijk waarneembare vorm, een schoonheid van gestalte, van gelaat, een inderdaad evenwichtig-zich-bewegend mens, bewegend in de stoffelijke wereld, bewegend in de denkwereld, bewegend in het zieleleven. Dit alles wordt uitgedrukt in het stoffelijk Zijn.

Gij volgt ons hier. Gij begrijpt de bedoeling van onze woorden. Gij weet dan ook hoe belangrijk het is – ja méér belanrijk dan de zorg voor het stoffelijk lichaam met eten en met drinken – dat er evenwicht zij; harmonie, tussen de lichamen die wij noemen én hun verschillende functies en eigenschappen. Daarom is het nodig – nu is de tijd gekomen, gerijpt tot dit moment – dat Gij inderdaad Uzelf verdiept, meer en meer verdiept, in de eigenschappen en mogelijkheden van het grotere-zelf, de grotere-gedaante, die U, elk van U, omkleedt. Dit is nodig, wilt Gij in de stoffelijke wereld, in het stoffelijk Zijn – waaraan Gij nog gebonden zijt – ook werkelijk zélf, persoonlijk, innerlijk, in het diepste van Uw Zijn, harmonie, evenwicht beleven.

Wij komen hierop nog veelvuldig terug. Want, wat wij U thans – zo als het ware terloops – meededeelden, is zó belangrijk, zó ingrijpend, zó allesoverheersend, dat wij telkens, wellicht bij stukjes en bij beetjes, U inlichten moeten, U aanwijzingen moeten geven, Uw denken moeten richten naar de grootheid van het eigen-Zelf. En…. naar de verstoring, die daar in den beginne meestal aanwezig is – waardoor aan de vorm van het hogere-Zelf, de uitdrukking van de “totale gedaante” van de mens in de stof, dikwijls zoveel gebreken kleven. Gij volgt ons hier, nietwaar?

Harmonie in eigen wezen, verbondenheid en eenheid in het eigen Zijn…. dat wil zeggen: altijd evenwicht.

Wanneer de mens bij zijn ontwikkelingsgang volgt de wegen der emotie en uitsluit het redelijk denken, wanneer een dergelijk mens zich leiden laat door gevoelens alléén – gevoelens in de betekenis van emotie – zulk een mens raakt uit het evenwicht. Nietwaar, Gij kent die ongelukkige wezens. Met de beste bedoelingen vervolgen zij hun weg, maar zij laten varen de noodzaak van het bewaren van het evenwicht in zich-zelf.

Wanneer een ander mens zich zuiver toespitst op het verstandelijk begrijpen, ook die mens komt niet ver. Hij of zij raakt niet uit het evenwicht – in den vorm waarin de emotionele mens zich onevenwichtig uitdrukken kan. Maar voor óns is het verschil nauwelijks waarneembaar.

Hier hebben wij enkele uitersten genoemd. Maar Gij kunt U wel indenken – en wij behoeven het U nauwelijks te zeggen – dat er vele schakeringen zijn; er zijn vele mensen, die de ene dag door de emoties overheerst worden, de volgende dag, zich schamende wellicht voor het toegeven aan deze onevenwichtige drang, zich verschansen achter “logica” en dáár hun kracht in zoeken – met uitsluiting van al het andere.

Goede vrienden, wij komen in ons contact met U in aanraking met vele zieken, met velen bij wie het evenwicht gestoord geraakt is. En wij kunnen U allen, uit Uw eigen omgeving, voorvallen noemen, namen en personen zouden wij U kunnen aanwijzen – maar wij behoeven dat niet te doen – gevallen die stuk voor stuk op zichzelf het bewijs leveren van hetgeen wij U zojuist gesproken hebben.

Hoe diep droevig – en hoe onjuist is het ook – dat wij zóveel mogelijkheden in ons hebben zouden en niet alle mogelijkheden, ja álle, hun kans, hun plaats en hun waarde zouden toekennen! Hoe is het te verklaren, hoe is het te begrijpen, dat de mens verwaarloost een deel van zijn schatten? Want zo is het. Ieder mens is inderdaad verschillend. Een ieder heeft eigen individuele eigenschappen – die de levensloop en in zekere mate het levensgeluk bepalen. Maar daarover spreken wij nu niet. Wij spreken in een algemene zin en in dit verband moeten wij opmerken, dat – hoe goed het ook is om het verstand te ontwikkelen en de vermogens van het verstand te benutten – het verstand alleen kan U niet helpen. Hoe heerlijk is het om mensen te ontmoeten, wier gevoelens gemakkelijk uiting vinden. Mensen die inderdaad omvat worden door gevoelens van anderen dikwijls en daarmede beleven een gelukzaligheid, die de denker en de logische mens – die dikwijls hardvochtiger tegenover zijn eigen gevoelsleven staat – hem gaarne benijdt. Zijn gevoelens méér dan de mogelijkheid tot verstandelijk benaderen? En is de verstandelijke benadering beter dan de gevoelsbenadering? Neen immers!

God de Vader gaf ons allen de mogelijkheid om het denkapparaat in te zetten, zo goed als de warmte van het hart.

Gelijkwaardig, gelijkwaardig zijn die twee uitingen van het wezen van den mens. En er is meer. Wanneer wij uitsluitend langs den weg der logica hogere problemen en hogere inzichten trachten te bereiken, dan komen wij er niet. Dat is een onmogelijkheid. Men kan, wil men zich verdiepen in het geestelijke leven dat ons allen verbindt, er met het verstandelijk apparaat alleen evenmín komen als wanneer men zich laat drijven op de stroom der emoties. Beiden moeten in evenwicht gebracht en gehouden worden, altijd door. En wanneer wij op den weg van het zoeken naar inzicht, den weg van verlichting, verder komen willen, dan moeten wij, wanneer de gaven des geestes zich geopenbaard hebben — voortgaan, zorgvuldig voortgaan om altijd het evenwicht te bewaren. Evenwicht, wat zeggen wil: harmonie. Een verbondenheid van alle verschillende eigenschappen in evenwicht, in harmonie. Zo een eigen eenheid vormen. En die eenheid – wetende ons aller gemeenschappelijke oorsprong – in verbondenheid met anderen beleven! Dat is volmaakt. Volmaking in deze vorm.

Ja, wij hebben genoemd “de geestelijke gaven.” Hoe wonderlijk is het dat er, onder de mensen die verlichting zoeken, zulke vreemde gedachten en inzichten bestaan omtrent de geestelijke gaven! Men denkt, dat iemand die iets van deze gaven demonstreren kan een uitzonderlijk mens is. Maar het tegendeel is waar. Goede vrienden, de meerderheid Uwer, die zich het bezit van deze gaven nog niet bewust is, zij zijn de uitzonderlijke wezens. Want deze gaven behoren normaler wijze tot Uwe uitrusting.

Wat is er dan nu mede gebeurd? Waarom kunnen zovelen die ernstig zoeken, zovelen die ernstig verlangend zijn naar de mogelijkheden om een grotere openbaring van liefde en van kracht te kunnen zijn – niet voor zichzelf maar voor anderen – waarom is het dat die geestelijke gaven buiten hun bereik blijven? Goede vrienden, het antwoord is eenvoudig. Het evenwicht, en dus de harmonie is verstoord geraakt. Ja werkelijk, zo is het. Wij spreken in algemene termen: wij kennen toch de gevallen waarin een onharmonieus mens inderdaad een bepaalde uitgesproken demonstratie van het bezit van geestelijke gaven hebben kan. Maar dan is dat toch onvolledig, omdat de basis van harmonie, van evenwicht, niet aanwezig is. En hoe veelvuldig zijn de gevallen van dergelijke aard, waarin de onrust, de onharmonie, de onwerkelijke houding die men heeft, ook aanleiding wordt tot ernstige uitingen van verstoring! Hoevele dergelijke gevallen zijn er niet reeds bekend geworden! Dan kan het gebeuren, dat het bezit of het gebruik van deze geestelijke gaven wegvallen. Dat is eigenlijk het minste. Maar, mijn vrienden, bedenk het wel: velen zijn er wier geestelijke vermogens gekrenkt worden, doordat inderdaad het gebruik van de geestelijke gaven niet geschiedt in de harmonie, de evenwichtstoestand die daarvoor noodzakelijk is.

Wij willen gezamenlijk in de allereerste plaats evenwicht zoeken en – dat gevonden hebbende – strijden om het te behouden.

Wij spraken over het bezit van “geestelijke gaven.” Mijn vrienden, beseft het eens: God schiep U als Zijn evenbeeld. Hij bedoelde het zó, dat Zijn almacht door U en door ons werken zou. Hij heeft U gegeven het apparaat. Het is in ongebruik geraakt in vele gevallen, maar het apparaat is er. De reservoirs staan leeg! Maar die zullen gevuld worden en dan treedt het apparaat in volle werking. De conditie is: evenwicht, harmonie, bereidheid om te ontvangen, bereidheid om te geven. Het verlangen om het volmaakte instrument te zijn en anders niets. Het hoogste doel erkennende te zijn: het kanaal van Zijn Liefde, Zijn Wezen.

Ja zeker, velen zijn er die het verlangen God te dienen eerlijk en waarachtig kennen, maar…. die daarbij God dwingen zouden willen om Zijn kracht in de menselijk gekozen wegen te leiden, omdat zij menen het verstandelijk-kunnen als het hoogste van het eigen wezen te moeten zien, of wel de emotionele weg menen te moeten bewandelen omdat zulks hun aard zou zijn.

Vrienden, wanneer wij ons open stellen willen voor de volheid van de kracht en de Liefde van den Vader, dan vragen wij niet en dan stellen wij ook géén eisen of condities, maar zijn dan alle kamers van ons wezen ópen om te ontvangen. En Zijn geest komt daarin! Zijn geest vervult álle uitingen van ons wezen, opdat Hij zich uitdrukken moge door ons. Zo wordt het zintuigelijk waarneembare instrument vervuld van de volheid, die de Vader uitstort van Zichzelf ín ons. En wij zullen zijn verheerlijkt door Zijn glorie, sterk in onze zwakheid, die Zijn kracht volmaken mag.

Zo zij het, God zegen U.

Amen.

Chat openen
Waar kan ik je mee helpen?
Kan ik je ergens mee helpen?