Selecteer een pagina

24 augustus 1953 – Het beloofde land

Opmerking:

Door verschillende omstandigheden was het onmogelijk na 3 augustus samen te komen. Overeenkomstig de inhoud van het slot der laatst ontvangen boodschap hebben de deelnemers aan de kring echter op de Maandagavonden half negen, ieder in hun eigen woning, gedurende een uur stilte betracht en op deze wijze toch in gedachten de gewone bijeenkomst in de “opperkamer” beleefd. Onze intermediator deed zulks eveneens met mevrouw Palstra in zijn woning te Laren. Op 24 Augustus ontving hij aldaar op het gewone uur de navolgende boodschap, welke als gewoonlijk op de geluidsband, welke wij naar Laren hadden overgebracht, is opgenomen.

Lieve vrienden,

Wij komen bijeen vanavond, zoals telkens op dit uur wanneer Gij samen komt in de “opperkamer.”

Wij hebben de naam van dat vertrek steeds “de opperkamer” genoemd. Het feit, dat wij thans bijeen zijn – ofschoon gescheiden door de omstandigheden en door de verschillende noodzakelijkheden van het leven in het stoffelijk Zijn – is het bewijs dat onze geestelijke vermogens inhouden dat wij tegelijkertijd op velerlei plaatsen aanwezig kunnen zijn. Gij zijt hier in het vertrek, waar Gij Ubeiden zich thans bevindt en de andere vrienden van Uw kring zijn ieder op eigen wijze met U verbonden door het geestelijk contact dat zij uitstrekken tot U en Gij tot hen en wij tot ieder van U.

Zo vormt zich als het ware een netwerk van gedachtenbanen, waarlangs ons contact gemanifesteerd wordt, óók wanneer wij niet zoals gewoonlijk, allen tezamen in de opperkamer aanwezig zijn.

In die opperkamer zijn ook nu aanwezig velen, die uit de geestelijke wereld telkens samenkomen om daar gesterkt te worden, versterking te ontvangen en in de gemeenschappelijke sfeer die er heerst gesterkt te worden.

Zo ook is het een feit, dat diegenen van U, die elk afzonderlijk op eigen wijze, in eigen sfeer, in eigen huis, op dit uur met ons verbonden zijn, gesterkt zullen worden door de geestelijke wezens, die verbondenheid met U kennen en hebben. Het feit dat Gij stoffelijk in een andere plaats bijeen bent doet immers niets ter zake.

Dit, mijn lieve vrienden, is een belangrijk punt voor U om te overdenken. De ervaring die Gij opdoet van de aanwezigheid, de aanraking van Uw geestelijke vrienden – ofschoon gescheiden van de kleine kring van stoffelijke wezens waarmede Gij samenkomt en waarmede Gij tezamen beleeft het contact met de geestelijke vrienden – dit is inderdaad een grote en goede ervaring voor U. Zij moet U stemmen tot nadenken, want immers daarin ligt velerlei voor ieder persoonlijk besloten. Het feit dat Gij uitstrekken kunt Uw geestelijke handen als het ware en de handen kunt grijpen van de vrienden in de stoffelijke wereld waarmede Gij geestelijke verbondenheid kent…. is dat niet een grote kennis, een grote wetenschap, een rijk bezit? Gij, ieder van U persoonlijk, ervaart dit ook. Gij weet het immers, Gij voelt het als het ware zintuigelijk dat – ofschoon gescheiden door ruimtelijke afstand – Gij één worden kunt met die stoffelijke vrienden, die een geestelijke verbondenheid met U bezitten.

Dit is heel belangrijk goede vrienden! Want ofschoon Gij geestelijk het contact ervaart dat Gij gezocht hebt, is er toch het grote bezwaar van de belemmeringen, die het verkeren in het stoffelijk Zijn aan geestelijk contact oplegt. Ge begrijpt dit. Het feit dat Gij geestelijk levende wezens zijt is U volkomen vertrouwd. Maar Gij weet daarbij, en ervaart dit dagelijks, dat Uw geestelijk leven, Uw geestelijke activiteit in zeer veel opzichten nog afhankelijk is van de toestand van het lichamelijk Zijn, het Zijn in het stoffelijk lichaam. Welnu, hoe goed is het dan te mogen ervaren dat Gij, ondanks de belemmering van het verkeer in het stoffelijk lichaam, toch het geestelijk contact beleven moogt en kunt met Uw vrienden, die evenals Gij de stoffelijke belemmeringen van hun toestand nog ondervinden.

Als Gij dit beseft, als Gij hier goed over nadenkt, dan zult Gij begrijpen, en volledig leren inzien en ook ervaren, hoe veel gemakkelijker het is voor Uw geest zich uit te strekken en te grijpen het contact met Uw geestelijke vrienden, met diegenen die leven in de geestelijke sfeer en die ontdaan zijn van de belemmeringen van het gebonden-zijn aan de vorm in het stoffelijk lichaam.

Zo hebt Gij door deze avonden waarop wij niet samen kwamen op de gebruikelijke wijze, een ervaring opgedaan die opgedaan moest worden, opdat Gij – ieder van U – gesterkt werd in de wetenschap-door-ervaring van het bewuste levende contact van geestelijk levende wezens. Geestelijk levende wezens als Gij en als wij.

Ja, deze periode van “abnormale” samenkomsten, zoals Gij wellicht zult zeggen, is een nuttige ervaring voor ieder Uwer geweest. En wij kunnen niet anders zeggen dan dat, voor ieder Uwer persoonlijk, deze ervaring een verrijking inhoudt. Inderdaad verrijking, voor Ubeiden in dit vertrek en voor alle anderen van de kleine kring waarmede wij op dit uur verbonden zijn.

Gij hoort de stem hier, de stem die spreekt onder invloed van “hogere” geestelijke wezens dan Gijzelf zijt. Wij kiezen dit woord voorzichtig. Het woord “hogere” houdt niet in, dat wij ijdel of trots zouden zijn, geenszins. Het hogere heeft een betekenis, die samenhangt met de visuele beelden, de beeldvorming, die voor U in Uw wereld zo belangrijk is omdat daaraan Uw begripsvermogen begrensd is.

Wij spreken van “hoger leven”, inderdaad, omdat wij als het ware gezamenlijk een bergtop aan het beklimmen zijn en omdat wij mogen spreken van een “hogere” plaats die wij al klimmende bereikt hebben. Gij wordt door ons opgetrokken tot de hoogte die wij bereiken mochten. Wij mogen U helpen bij het voortgaan en bij het klimmen; dat is onze taak en ons voorrecht.

Wij noemen niet ons leven als een hoger leven in die zin dat wij belangrijk op U gewonnen hebben, dat wij belangrijk vooruitgekomen zijn, als ware het zó dat wij gezamenlijk waren opgestegen onder dezelfde omstandigheden en een voorsprong op U behaald hadden. Neen, goede vrienden, zo is het immers niet. Wij zijn stijgende en Gij ook en Gij moet de doornen en stenen die U struikelen laten leren kennen. Wij zien van een ander punt op die doornen en die struikelblokken op Uw weg. Wij zien er overheen wanneer wij terugblikken mogen, om U de hand te reiken, om U die moeilijkheden te laten overwinnen. Sommige dier moeilijkheden hebben wij zelf als beproevingen ondervonden. Andere moeilijkheden waren wellicht voor ons weggelegd, omdat daarin voor ons de grootste overwinningen en zegeningen te behalen waren.

Gij moet Uw eigen overwinningen behalen, opdat Gij Uw eigen zegeningen rijk kunt worden. Gij hebt nog de belemmeringen van het stoffelijk lichaam. Wij nu niet meer. Wij kennen de belemmeringen die het Zijn in het lichaam als stoffelijke vorm inhoudt. Wij kennen die en wij weten hoe moeilijk daardoor het klimmen dikwijls geworden is. Maar wij kwamen vooruit – óók geholpen door de geestelijke vrienden die thans een hoger bestaan voeren mogen dan wij hebben bereikt en die van hun hoogte af óns weer verder mogen helpen. Zo is er een hierarchie opgebouwd: wij komen tot U als een schakel daarin en Gij vormt op Uw beurt een schakel en moogt anderen helpen bij het klimmen op de weg die naar de top voert.

Ja, de top willen wij bereiken, moeten wij bereiken. Wij moeten hebben het uitzicht van wat ligt aan de andere zijde van de berg. Want dat is het beloofde land, het land dat onze voorvaderen beloofden aan U en ons. Wij moeten dat beërven en – doordat velen de weg naar boven gegaan zijn en veel ruimer uitzicht ontvangen hebben – komen wij, die nog niet zo hoog gestegen zijn, gemakkelijker verder op de weg die voert naar de hoogste hoogte vanwaar wij uit ingaan mogen, in dat beloofde land. Zo hebt Gij een tweeledige taak.

Gij streeft naar de top, naar het hoogste punt, maar Gij moet iedere stap van de weg zelf afleggen. Het U gericht houden op het einddoel is noodzakelijk, altijd door en altijd weer. Houdt U dit voor ogen, dat Gij streeft naar het hoogste en dat Gij vandaar ingaan moogt en moet in het beloofde land. Houdt U dat voor ogen, laat dat Uw hoogste drijfveer zijn! Want immers, wie stijgt en vermoeid wordt en de weg lang en moeizaam vindt, is geneigd zich te richten, zijn blik te slaan, niet naar de duizelingwekkende hoogte, maar naar de aarde, waarop zijn voeten zo moeilijk en pijnlijk een rustpunt vinden.

Gij gaat naar boven, Gij wordt aangetrokken door het beloofde land, dat daar voor U opengaat. Maar Gij moet de bergrug zelf bestijgen. Gij moet weten, wat het is te stijgen. Gij moet weten wat het is te klimmen, moeizaam en met pijn wellicht. Gij moet weten wat Uw gaan verzwaart. Gij moet leren af te leggen datgene, wat hindernissen opwekt voor Uw snelle voortgang. Gij moet leren wie en wat Gij zijt. Wij kunnen U helpen, wij reiken U de hand, wij trachten U te wijzen op de moeilijkheden die liggen op Uw pad. Maar die moeilijkheden moet ieder op eigen wijze overwinnen. Want immers…. anderen zijn nimmer uitgerust als Gij diezelfde weg gegaan. Het is Uw weg die naar Uw hoogte leidt. Het is Uw berg, die Gij en Gij alleen overwinnen moet. Want immers, Gij zijt anders dan de naaste, Gij hebt een uitrusting, die identiek is alléén aan U…. en aan niemand anders, noch aan diegenen die U vóór zijn gegaan, noch aan diegenen die ná U zullen komen. Gij hebt een eigen individuele, persoonlijke uitdrukking meegekregen van het wezen van God de Vader. En met die eigen uitdrukking van Hem, die ons schiep en ons in staat stelde om te gaan, moet Gij werken – opdat God in Zijn volle grootheid in U geopenbaard worde. Dan hebt Ge de top bereikt, dan kunt Ge in het beloofde land ingaan.

Wij spreken vanavond tot U beiden niet om terneer te drukken, geenszins. Wij willen echter gaarne, dat Gij met ons de werkelijkheid van de dingen des levens zult willen zien. Wij willen gaarne, dat Gij begrijpen gaat hoe ieder van U, ofschoon samen gaande dit gedeelte van de weg, een eigen weg bewandelen moet. Een weg die inderdaad leidt tot een gemeenschappelijk doel, dat is waar. Daarom, onthoudt het goed, Uw gaan en Uw Zijn is tweedelig. Gij streeft naar de top, die Uwbeider wegen samenbrengt, opdat Gij samen ingaan moogt in het beloofde land; maar – terwijl Gij stijgt – hebt Gij rekening te houden met de individuele uitrusting van ieder van U, man of vrouw, en hebt Gij te bedenken dat de moeilijkheden op ieders weg eigen individuele hindernissen zijn, die overwonnen moeten en kunnen worden doordat Gij, ieder van U individueel, het juiste antwoord bezit op de individueel U gestelde vraag. Zo is het, mijn goede vrienden.

Hebben wij U terneergeslagen of gedrukt? Geenszins. Wij hebben gesproken over de steun en de bemoediging die gegeven wordt bij het omhooggaan. Wij hebben U tevoren vaak reeds gesproken over de eenheid, de harmonie, die opbouwt – in U en om U – de krachten, die Uw eigen uitrusting vergroten en versterken. Laat dan na en werpt dan af veel wat Gij missen kunt, veel wat U het stijgen belemmert of belet, veel wat voor U slechts ballast genoemd mag worden. Gij weet het, ieder van U heeft de banden die hem binden met het aards bestaan. Leg die banden af, zoveel Gij kunt. Heft het hoofd en houdt het oog gericht op de hoogte. En laat dan het uitzicht op de weg die nog afgelegd moet worden U de moed geven om af te leggen datgene, wat U bij het opstijgen belemmeren zou. Daarover behoeven wij U geen raad te geven. Gij wéét ieder van U bij het vervolgen van de weg wat terzijde gelegd mag worden en wat nog niet. Want immers Gij zijt geboren en geplaatst in het leven. Met ballast. Met een bedoeling! De ballast heeft een bedoeling gehad voor zover die ballast reeds verwijderd werd èn voorzover Gij nog torsende zijt onder veel wat mettertijd Uw ballast zal blijken te zijn. De ballast heeft inderdaad de bedoeling, dat Gij daarvan leren moogt.

Wij komen ook daarin dicht nabij. Wij helpen U de ballast te torsen zolang en zoveel Gij die torsen moet. En wanneer Gij datgene wat het opstijgen voor U bezwaart terzijde legt, dan kunnen wij U gemakkelijker helpen.

Welk een voorrecht is het om zo, verbonden met anderen, de weg die opstijgt naar het hoogste punt te mogen vervolgen. Gij hebt de verbondenheid met ons in het geestelijk leven dat wij kennen. Gij hebt ook de verbondenheid met Uw vrienden, die verbonden zijn met U als geestelijk levende wezens, ofschoon gebonden nog in de vorm die is het stoffelijk lichaam. En ook die helpen U bij het voortgaan, ook die helpen U het bestaan in de stoffelijke wereld goed en nuttig te maken.

Naar de mate van het stijgen verruimt ons uitzicht en dat wil veel zeggen. Naar de mate dat wij opstijgen en de berghelling ons voert naar ijlere streken kunnen wij ook het oog laten gaan over een wijder gezichtsveld. En dat is nodig voor ons. Wij mogen niet aan de voet van de berg blijven staan, want ons uitzicht is daar te beperkt. Wij mogen ook niet halverwege aarzelen of terug willen gaan, want immers het uitzicht lokt en toch…. wij zien slechts wat aan deze zijde van de berghelling voor ons beschikbaar is om gezien te worden. Doch wanneer wij de top bereiken en ingaan in het daar achter liggende land, dàn kunnen wij eerst ten volle de belofte die God de Vader ons schonk in vervulling zien gaan. De beloftes die Hij gaf over al de eeuwen heen, zijn waar en worden bewaarheid…. aan U persoonlijk. Gij incasseert thans datgene wat zij, die voorgingen op die helling, op het stijgende pad, overwonnen hebben in zichzelf, voor U. Bedenkt dit! Wanneer wij spreken en zeggen dat het daagt in de wereld, dan kunnen wij dat slechts doen omdat van hogeraf het uitzicht zó vrij geworden is, dat inderdaad gezien wordt zowel het Zijn-van-thans als het Zijn-van-de-toekomst.

Daarom, gaat voort en vervolgt Uw weg en brengt de offers die gebracht moeten worden opdat Gij snel opstijgen moogt. Want immers na U komen de generaties die langs hetzelfde pad opstijgen moeten en Gij kunt hún opstijgen bevorderen doordat Gijzelf snel en vlug gestegen zijt.

Wij komen U te hulp, voor Uzelf, zeer zeker, maar ook en vooral omdat in U wij zien het spoor van de komende generaties, die evenals Gij en wij leren moeten hoe de berg te bestijgen die voert naar het beloofde land, waarnaar wij allen uitziende zijn.

Gods zegenende handen rusten op U.

Zijn tegenwoordigheid moogt Gij ervaren. Zijn aanraking is op U.

Zijn liefde leeft en werkt in Uw Zijn en in Uw leven, opdat door U worde gevormd het lichtend spoor dat richting geeft en leidt tot naar de top, die ingang geeft tot het beloofde land.

Amen.

Chat openen
Waar kan ik je mee helpen?
Kan ik je ergens mee helpen?