Samenkomen in de Opperkamer
Contact

Voor vragen, informatie en ervaringen nodigen wij u uit ons te e-mailen.

info@samenkomenindeopperkamer.nl

15 Maart 1954

Het doel van onze bijeenkomst vanavond is – als telkens weer wanneer wij innerlijk contact met elkaar zoeken en het vinden op deze wijze of op welke andere wijze ook – dat wij gezamenlijk en persoonlijk mogen deelnemen aan het rijkere leven.

Het is een wonderlijke gedachte, dat het leven in feite rijk is – rijker, dan Gij en dan wij ons voorgesteld hebben of mogelijkerwijze nog kunnen voorstellen.

Het is een wonderlijke gedachte, dat in ons ligt verborgen de mogelijkheid, om tot die grotere rijkdom te geraken, om er bezit van te nemen, doordat wij afstand doen van alles wat wij zijn en hebben.

Het is een wonderlijke gedachte te bedenken, dat wij in het leven gesteld zijn en dat, wanneer wij niet tot de openheid geraken van het geestelijk vermogen om te zien en te horen (en wij denken niet aan de phenomenen die aldus beschreven worden, maar wanneer wij in geestelijk opzicht niet kunnen horen, niet kunnen zien), wij levende en door het leven gaande arm zijn en arm blijven, terwijl het leven immers de rijkdom zelf is. Dat is een wonderlijke gedachte.

Wij komen hier samen, Gij en wij, en wij hebben iets gezien van de pracht en de glans en de rijkdom, die het leven kan zijn. Wij hebben er een groter aandeel aan gekregen, dan tevoren ons bezit was. Maar er is meer! Er liggen schone gaven voor ons klaar, op ons te wachten! Het is aan ons om die te zien – en ze te grijpen! Het is vrij! Het ligt klaar te onzer beschikking! Het is voor ons toebereid! Het wacht op ons, op onze daad om toe te passen datgene, wat wij innerlijk als drang in ons voelen, namelijk dat wij – afstand doende van het “zelf” – de gestalte van het hoogste en het grootste aannemen.

Het is een geloofsdaad mijn vrienden; geen wanhoopsdaad. Het is een positieve, geen negatieve daad, die wij doen wanneer wij ons in het bezit stellen van de volle rijkdom van het leven zelf.

Het is even positief, dat wij afstand nemen, afstand doen van alles wat het “zelf” is, als dat wij toegrijpen, ons toeeigenen, ons vereenzelvigen met het grootste en het hoogste dat wij kennen.

Wanneer wij hier op de gebruikelijke wijze samenkomen in deze opperkamer, de “opperzaal,” waarin wij samen gebracht zijn om te verwachten, om opgebouwd te worden in de verwachting, dat het grootste en het hoogste bezit van ons zal nemen, dan moeten wij dit allereerst naar voren brengen. De basis van ons samenzijn is duidelijk gesteld. Wij hebben daarover op velerlei wijze gesproken en hebben als het ware bij alle gelegenheden Uw aandacht gevraagd voor het beginsel, dat ons samenbrengt. Daarover willen wij thans niet opnieuw uitweiden. Dàt is het punt vanwaar wij uitgaan. Dan verder hebben wij U op velerlei wijze – in allerlei woorden, met voorbeelden en toepassingen – voorgehouden, dat het leven gericht moet zijn op de kruisiging van het “zelf,” willen wij de volle gestalte van Gods Zoon (wat onze bestemming is) kunnen en mogen aanvaarden. Daarover hebben wij gesproken op allerlei manieren, die voor ons denkbaar waren, opdat wij U konden benaderen in de verschillende denkwijzen, die in Uw groep, in Uw kring heerschende zijn.

Wij komen vanavond met niets nieuws. Het eenige, wat wij wellicht meer positief dan ooit, naar voren willen brengen is: dat het aannemen van het hoogste waartoe wij geroepen zijn, een daad is van onszelf. Wij nemen een stap. Wij nemen een beslissing. Wij doen afstand – en daarmede aanvaarden wij ook inderdaad: dat het andere, het hoogste, het alles overheerschende en overschaduwende, in ons gekomen is.

Wanneer wij dàt niet doen, dan heeft het afstand nemen van het “zelf” zoo weinig zin, mijn vrienden. Wanneer Gij gericht blijft alleen op die zijde van het vraagstuk, die zijde van de doelstelling van het bestaan, dan hebt Ge alleen de afbraak. Dan gaat het telkens en telkens opnieuw om de kruisdood te sterven – zonder dat de opstandingsmorgen daagt.

Wilt Gij dit vasthouden, mijn goede vrienden? Wilt Gij hierbij Uw gedachten evenzeer bepalen als bij datgene, wat aan de kruisiging vooraf gaat – aan de lijdensweken – en aan het sterven en het hangen aan het kruis, het ingaan in het graf, de dood doormaken? Maar wanneer wij daarbij blijven, dan heeft de dood geen zin. Wij moeten bewust en positief de opstanding mede maken van den Christus in ons, die verrijst wanneer het “zelf” gestorven is.

Wij kunnen gerust zijn, lieve vrienden. Het is een weg, die langzamerhand in ons voltooid en voleindigd wordt. Wij worden niet ineens voor het totale afsterven van alles, wat wij verliezen en prijsgeven willen, geplaatst. Het is een proces van langzaam den dood aan het “zelf” sterven – maar iederen dag, telkens weer, bij elke gelegenheid, in de volle omvang van datgene, wat in ons gerijpt is om te worden prijs gegeven, opdat het rijkere leven zich aan ons moge doorgeven en dat wij daar deelgenoot aan mogen zijn.

Wij zijn in deze dagen, nu in de aardsche sfeer – èn in de hemelsche sferen evenzeer – het gebeuren uit het leven van Jezus, den Christus, herdacht, beleefd, bezongen en doorvoeld wordt, veel bij deze kwestie, van het sterven aan het “zelf,” bepaald moeten worden. Gij en wij – Gij in Uw wereld en wij in de onze, die samen zoo nauw verbonden zijn, zoals Gij reeds weet, ervaren en leven mede in het lijden en het sterven van den Zoon des Menschen, Die de Zoon Gods was. Dit moet ons tot dieper nadenken brengen en een grootere belevenis voor ons beteekenen thans, nu, dit jaar, dan ooit tevoren in welk vorig jaar ook.

Nu wij zelf tot geestelijk bewustzijn gekomen zijn (en een ieder van ons, die hier in deze opperzaal met ons samen is, is daar, omdat het geestelijk bewustzijn in hem of in haar gewekt is), moet het lijden en het sterven van den Christus en diens Opstanding een diepere, meer persoonlijke beteekenis voor ons hebben, dan ooit tevoren. Want in het geestelijk bewustzijn, dat wij kennen, dat ons leven is, deelen wij mede in de geestelijke ervaring van Hem, Wiens lijden wij herdenken en mede beleven. Wij zijn in Hem één. Wij zijn met Hem verbonden, omdat Hij in het middelpunt gesteld werd van ons eigen “zijn” – van ons als individueele, bewuste persoonlijkheid, van ons als bewuste éénheid, als groep of kring.

Mijn goede vrienden, wij komen vanavond bijeen om samen te zoeken, neen, te grijpen, in bezit te nemen: Een rijker en voller leven dan tevoren. Wij weten het, doordat wij afstand nemen van het “zelf” – het kleine zelf – en terzelfdertijd aannemen, in bezit nemen: het grootere, rijkere “zelf,” dat Hij is in ons. Wij willen hem meer mogelijkheden geven om zichzelf in ons te bewijzen. Daardoor worden wij deelgenoot aan het rijkste wat er is: het volle leven zelf.

Goede vrienden, wij spreken samen in woorden, die begrijpelijk zijn voor elk onzer. Maar de toepassing daarvan is individueel verschillend. En toch kunnen wij samen zijn: één groep, één eenheid, zooals wij het noemden. Hoe is dat mogelijk, zult Ge zeggen. Welnu, het antwoord daarop is niet moeilijk te geven:

Wij hebben ieder van ons een schijnsel te verspreiden, dat getint is naar de mate dat wij zelf kleurdragende zijn – zooals het glas een kleur kan hebben. Naar mate, dat wij samengebundeld het licht verspreiden – het zelfde, het ééne licht, vanuit dat eene centrum – zal ons optreden als groep juist in volmaking dat licht moeten uitstralen, doordat wij – elk van ons – het materiaal vormen, waardoor dat zelfde licht een eigen glans verspreidt, een bijzondere kleur mag hebben, die toch samen het volstrekte wit van het zuivere licht vormen. Wilt Ge dit beeld onthouden, mijn vrienden?

Wanneer de vraag soms bij U zou rijzen: “Hoe kunnen wij als groep, als eenheid optreden, waar wij toch zoo verschillende menschen zijn? Bedenk dan, dat Gij – de “geziene” vrienden en Gij de “ongeziene” vrienden, die hier samen tegenwoordig zijt –gezamenlijk vormt: het spectrum van licht, dat de volstrekte zuiverheid en witheid vormt. Niet, dat ieder van U persoonlijk wellicht dezelfde kleur en straling van den ander zal hebben. Ieder Uwer heeft een eigen taak, die voortvloeit uit de samenstelling van het eigen wezen in den vorm, waarin Gij thans nog zijt.

Maar wanneer wij als groep, als kring een grootere straling willen vertonen – d.w.z. dat wij grootere ruimte bieden aan de volle glans en kracht van het licht, dat in ons is en dat door ons wil uitstralen – dan moeten wij (in andere woorden) het volle, rijke leven in bezit nemen. Dan moeten wij niet schromen, niet aarzelen, niet angstig of beangst zijn voor het grootste en het hoogste, dat ons trekt. Dan moeten wij met Hem, nu en thans, beleven – voor zoover het in ons mogelijk is – dat afstervingsproces, die kruisiging van het “zelf,” voor wat thans mogelijk is, maar – daarbij niet stilstaande – ook de Opstanding aanvaarden.

Ja zeker, goede vrienden, het is de wil, die U gegeven is, die overheerscht. Het is de wil, die Gij gericht hebt, afgestemd hebt, op den wil van God den Vader, den Schepper, den Maker, Die het plan ontwierp volgens hetwelk wij samen komen – volgens hetwelk ook het heelal beweegt en is. In dat plan zijt Gij – evenzeer als wij – opgenomen. Wij hebben in de voltooiing, de voleinding, de uitwerking daarvan, ieder persoonlijk en als groep, een rol te vervullen, een plaats in te nemen. Wij voelen immers de aandrang daartoe, Gij zoowel als wij.

Wij komen samen, omdat wij (zooals gezegd werd) tot geestelijk bewustzijn werden geroepen. Verstaat Gij dit? Verstaat Gij, wat dat zeggen wil? Geest, die heerscht, bezielt, beleeft, die alles is en één. Geen gedeeldheid van geest bestaat, geen gedeeldheid van geest is mogelijk. Wanneer Gij toegelaten hebt en toelaat, dat geestelijk bewuszijn in U wakker geroepen werd,  dan hebt Gij deel aan de Geest, dan zijt Gij deel van de Geest zelf, van alle Geest: de ééne Geest, die één en ondeelbaar is.

Wanneer Gij dan – om het grootere bewustzijn daarvan te kunnen aanvaarden en te beleven –afstand moet doen, telkens weer, van datgene, wat U persoonlijk en individueel duidelijk gemaakt wordt en wat de doorwerking en de doorbraak van het geestesbewustzijn in U in den weg staat, dan moet Gij verder gaan. Dan moet Gij toegrijpen en aanvaarden. Niet afstand doen alleen, niet een vacuum scheppen. Dat kan immers niet.

Wanneer Gij bewust, doelbewust leeft en werkelijk in het geestelijk bewustzijn dat in U gewekt wordt verder gaat leven, dan zult Gij zien, dat het is een ervaring van afstand nemen, afstand doen, maar tevens toegrijpen naar het hoogste, naar het grootste goed, dat nog voor U weggelegd werd. Zoo hebben wij in toenemende mate in ons bewustzijn deel aan die eenheid, die Geest is. Zoo hebben wij in groeiend besef de belevenis één te zijn met God den Vader, Die ons schiep, Die ons riep, Die onze voeten stelde op dezen weg, Die ons het voorbeeld gaf.

Mogen wij – Gij en wij – in deze weken, de lijdensweken genaamd, meer beseffen van de volheid van leven, die er voor ons is. Voor ons allen – voor ons persoonlijk en daardoor voor ons in groepsverband. Mogen wij dat besef hebben van de groote gave, die voor ons weggelegd is in het sterven van het “zelf” en de opstanding in het “geestelijk zelf.” Dat moge zoo zijn.

Moge de goede Vader, Die ons nu hier gebracht heeft en Die steeds overwaakt de bewustwording, die in ons groeiende is van Zijn Wezen in ons, in grooter klaarheid, grooter sterkte in ons leven schijnen en stralen, opdat velen – door dat Licht getrokken – Hem mogen zien.

Amen.