Samenkomen in de Opperkamer
Contact

Voor vragen, informatie en ervaringen nodigen wij u uit ons te e-mailen.

info@samenkomenindeopperkamer.nl

16 November 1953

Goede vrienden,

“Zo iemand Mijn woorden hoort en ze doet, die zal zelfs van de dood geen smaak hebben.”

Dat wil zeggen: Die zal zelfs de smaak van de dood niet kennen. Zo staat het geschreven, opgetekend, als het ware uit de mond van de Meester zelf. En dit woord, destijds toen het uitgesproken werd, een steen des aanstoots, is nog steeds een veelomstreden woord, omdat men de betekenis daarvan tot op de huidige dag onvoldoende beseft in zijn diepere zin.

Ja, wij hebben gehoord, Gij en wij, wij weten het, dat er geruchten in omloop zijn omtrent diegenen, die voedsel uit de hemel ontvangen, die als het ware leven van het hemelse manna. Wij kennen de verhalen en Gij immers ook van de wijzen in het westen en in het oosten, voor wie het stoffelijk lichaam is geworden zoals het zijn moet: Het voertuig van de geest alleen. Een lichaam, een stof- lichaam dus, dat te allen tijde wanneer de geest zulks verlangt – omdat de geest zulks nodig oordeelt – ter beschikking staat. Zij hebben de dood dus overwonnen. Zij leven voort en kennen dus niet de smaak des doods. Zulke geruchten kent Gij. Gij hebt dit niet zelf aan de lijve ondervonden en Gij kent uit eigen waarneming zulke hoog-opgetrokken geestelijke wezens nog niet. Maar de tijd komt, mijn vrienden, dat Ge zelf zult moeten gaan toepassen de leringen, waardoor deze, onze vrienden en meesters, deze kennis en de macht over het stof-lichaam door de wil van den geest verworven hebben.

Ja, wij gaan ver, nietwaar? Het is U wellicht beangstigend te moede wanneer Gij deze woorden hoort en toch, wij spreken met autoriteit en het gezag van den Meester zelf, die zeide, dat “wie Mijn woord hoort en het doet, die zal van de dood zelfs de smaak niet kennen.”

Welnu, goede vrienden, vanavond komen wij bijeen om nader op dit onderwerp in te gaan, om samen te bespreken wat naar ons inzicht het doel, de doelstelling van deze uitspraak van den Christus geweest mag zijn.

Wij hebben in de afgelopen weken, dat wij bijeen kwamen reeds veel met U gesproken over het geestelijk Zijn, het geestelijk leven, dat belichaamd is in het stoffelijk leven, dat Gij leidt. Welnu mijn vrienden, zoals dit thans gezegd is klinkt het zo simpel, zo eenvoudig, dat wij zouden kunnen vermoeden, dat het een axioma is, waarvan de redelijkheid zelfs door de meest kinderlijke geest aanvaard en begrepen zou kunnen worden. Maar wanneer wij rond zien op de gehele aarde en wanneer wij in andere sfeer te rade gaan met onze vrienden en helpers daar, dan bemerken wij hoe weinig er nog begrepen wordt van dit axioma, van deze stelregel, van deze grondgedachte: Dat wij en zij, die in andere sferen leven – levende geesten zijn, die een voertuig belichamen moeten.

In Uwe wereld, mijn goede vrienden, is er bij velen de neiging, de wil zelfs, om een strenge scheiding toe te passen tussen het geestelijke Zijn en het stoffelijk Zijn. Men meent veelal, dat het geestelijk bewustzijn, dat groeiende is onder de mensen, eerst in ware betekenis zal gaan leven en spreken wanneer men overgegaan is naar die andere sfeer, waarin het stof-lichaam niet medegebracht wordt. Welnu, mijn goede vrienden, in de toespraken die wij tot nu toe gehouden hebben en de beraadslagingen, die hier in de opperkamer met U werden gevoerd, hebben wij juist altijd met nadruk beklemtoond, hoe essentieel het is, dat Gij, als wij in de andere – de z.g geestelijke sfeer – ons bewust zouden zijn van de eeuwigdurende aard van ons geestelijk leven. Dit leven begint niet nu of morgen of wanneer de overgang van het aardse rijk naar het z.g geestelijke rijk gemaakt wordt, maar het is en was en zal altijd zijn. Het drukt zich uit en belichaamt iedere vorm van leven. Het is de grondslag van alle Zijn. Maar telkens en telkens weer wil dit leven in de afsplitsing, zoals Gij en wij die zijn, een voertuig hebben. Dat voertuig wil het besturen, zich ervan bedienen. Maar nu zien wij hoe in Uw wereld en veelal ook in de wereld van die “afgestorvenen”, zoals Gij ze noemt – diegenen, die overgegaan zijn en deze gedachte nog niet verwerkt hadden in hun aardse stoffelijke bestaan – nu zien wij hoe onder die tallozen de gedachte heerst, dat het geestelijke leven eerst in volle omvang een aanvang kan nemen, wanneer men het voertuig waarvan men zich thans bedienen moet, heeft afgelegd of vervangen door een nieuw en willicht lichter voertuig of kleed.

Hoe weinigen zijn er onder U mensen, die zich bewust zijn van de waarheid die wij verkondigd hebben hier in deze opperkamer, nog niet lang geleden, dat het de plaats is waar Gij thans zijt, het voertuig dat Gij thans hebt, dat thans door U bestuurd wordt en richting gegeven is, dát voertuig, dié plaats, dié zijn de gelegenheden die Gij hebt om in volle omvang de werkelijkheid te beleven van het geestelijke Zijn.

Wij komen hier samen met vrienden uit Uw sfeer en vele andere vrienden, uit andere sfeer. “Hogere sferen” wilt Gij dat veelal noemen. Maar denkt toch niet, mijn vrienden, dat een ieder die de overgang van het aardse bestaan naar een ander bestaan maakt zonder meer een plaats kan innemen – en ten volle vervullen – in een z.g “hogere sfeer.” Wij kennen de betekenis die Gij en vele anderen aan het woord “hogere sfeer” toekent. Maar wilt Gij niet bedenken, dat de overgang gemaakt wordt op een gemakkelijke wijze, als Ge het zo wilt begrijpen. Een wijze, die inderdaad niet betekent een volledig breken met het één en een volledig nieuw begin voor het ander. Er is een continuïteit. Er is een vooruitgang, omdat het leven niet thans begonnen is en eindigt en na een poze opnieuw wordt voortgezet. Het is voortgaande, altijd door. Het was en is en zal eeuwig zijn. Breuken in die cirkelgang bestaan er niet. Welnu dan, mijn vrienden, wanneer men overgaat van Uw sfeer naar de andere sfeer, dan wil dat niet zeggen, dat men zonder meer tot een hogere klasse van wezen bevorderd is geworden. Ge begrijpt dit willicht. Het is immers zo, dat men voor die bevordering inderdaad in aanmerking moet zijn gekomen. Men moet het examen afleggen, zowel in de aardse sfeer om promotie en bevordering te beleven, als in het grote, werkelijke, ware leven zelf. Men moet een proeve van bekwaamheid geleverd hebben voor men kan opstijgen. De vleugels moeten draagkracht hebben en ook bewezen hebben; dat zij het voertuig naar hogere sfeer kunnen dragen.

Welnu dan, mijn vrienden, wij komen hier samen met U en de door U ongeziene gasten en vrienden, die hier komen vanuit de geestelijke wereld en die een eigen voertuig hebben, wat van het Uwe wellicht in samenstelling verschilt, maar niet zozeer in wezen. Wij allen komen hier samen om deze waarheden te bespreken. Wij, die tot U spreken mogen, komen hier omdat wij inzicht verkregen hebben. Omdat wij de lessen geleerd hebben. Wij zouden tot U kunnen spreken over de lessen door ons opgedaan, harde lessen wellicht voor het menselijke verstand, maar zeer noodzakelijke lessen. Wij komen dan tot U omdat wij boodschappers mogen zijn van Hem, Die wil dat Gij – als wij – het voertuig, dat thans te Uwer beschikking gesteld is, volledig zult leren besturen. Dat Ge het aanvaarden zult als het volmaakte voertuig voor het eeuwige Zijn, dat in U leeft.

Wanneer wij zien hoe de mens – en velen zijn er die op deze wijze de materie waarover wij spreken benaderen – toetreedt tot deze waarheden met een critiek, met een verwerpen, met een aarzelen anderen weer. Altijd en altijd weer zijn er de bezwaren om volledig de werkelijkheid van het woord dat wij aanhaalden en waarmee wij aanvingen; aan te nemen.

Hoe is Uw benadering daarbij, mijn vrienden? Denkt Gij het U in als een wonder voor de toekomst? Denkt Gij U in, dat Ge daar nog lang niet aan toe zijt? Denkt Gij, dat het eeuwige leven, waarover wij gesproken hebben, eerst zal ingaan nadat Gij “de dood geproefd hebt?” Als dat zo is, mijn vrienden, dan zult Ge opnieuw en opnieuw moeten sterven en weer opstaan, totdat het bewustzijn van eeuwigheid, dat in U zich manifesteren wil, U bevrijdt zelfs van de “smaak van de dood.”

De tijd komt naderbij, goede vrienden, wanneer deze waarheden beter verstaan en beter geleefd zullen worden dan welleer, want velen zijn er, Goddank, velen, zeer velen, bij wie de honger naar het eeuwigheidsbewustzijn sterk werkt, in hen woedt, hen voortdrijft. Zij zoeken en zij zullen het vinden.

Maar Gij, hoe benadert Gij dit axioma? Hoe staat Gij er tegenover? Gij moet na al deze weken van voorbereiding toch zeker komen tot het nemen van een stap, zoals Ge een stap neemt in het dagelijks stoffelijk bestaan. Zoals Ge een beslissing neemt voor iedere aangelegenheid van groter of kleiner belang in Uw stoffelijke wereld. Gij kunt toch zo niet verder gaan altijd en altijd weer de grootste waarheid, de enige waarheid op de achtergrond te stellen, omdat Gij meent, dat Gij nog niet gevorderd zijt tot die klasse, die het enig, eeuwig ware aanvaarden kan. Maar onze woorden hebben tot U gesproken, telkens en telkens weer, van de noodzaak van deze zaak, opdat het Koninkrijk Gods, dan in U is, uitbreken moge, baan moge breken, opdat het grondgebied van dit Koninkrijk, het ganse heelal vervullen moge.

Hebt Ge de drang achter onze woorden niet reeds eerder gevoeld? Zijt Gij U niet bewust geweest, dat wanneer Gij aarzelt, wanneer Gij verwerpt, Gij daarmede de kansen niet alleen voor Uzelf maar ook voor anderen in de weg staat. Voelt Gij de verplichting niet, Gij als mensen Uweren onzer gemeenshap, om inderdaad te beleven de werkelijkheid van het eeuwige Zijn?

Wij komen vanavond tot U vervuld van de drang die in ons doorgegeven wordt, van de hoogste sport van de ladder der hiërarchie, waarvan wij slechts een klein onderdeel mogen vormen. Een drang die daar is, opdat het licht moge uitbreken in U en door U doorstralen moge tot vele anderen.

“Wie Mijn woord hoort en het doet, die zal zelfs de smaak van de dood niet kennen.” Hoe dan, hoe dan? Hoorden wij die woorden niet, Gij en wij, en doen we ze dan niet?

Vrienden, goede vrienden, er is in Uw wereld een duidelijker manifestatie dan ooit tevoren van de Goddelijke liefde zelf en Gij moet daar deel aan hebben. Gij moet in die stroom opgenomen worden en door Uw eigen zwaarte de kracht van dien stroom vermeerderen, opdat de stroom van liefde van God zelf het aardrijk vevullen moge.

Liefde, liefde alleen is de kracht, de enige kracht die U en ons niet opheft boven de tekortkomingen van ons bestaan, neen, die die tekortkomingen vervult van het eeuwige Zijn zelf.

Niet het voertuig heeft gebreken, niet de kansen die het biedt schieten tekort. Het is de kracht van de liefde zelf die Uw motor op gang wil brengen en op volle toeren wil laten draaien en Gij belemmert de doorbraak. De liefde Gods, Gods wezen zelf, ons geschonken, die liefde wil en zal ons in staat stellen om datgene te doen wat wij hoorden, om weg te nemen de macht van de duisternis, om weg te nemen zelfs “de smaak des doods.”

In iedere verhouding van Uw Zijn, in iedere daad van Uw leven moet de liefde doordringen. Wij hebben gesproken van de noodzaak, dat het stoffelijk Zijn vervuld moet worden van de geestelijke drang die is: de oorsprong der dingen.

Hoe, hebt Ge gevraagd, hoe moet dat geschieden in mij en door mij? Welnu, denkt U in, wij herhalen het voor U, het woord destijds tot U gesproken: “Jaagt de liefde na.” De liefde om zichzelfs wil, want daarin is God ons geopenbaard geworden. Jaagt die liefde na, maar niet als iets wat is terzijde van de stroom van Uw Zijn. Neen, laat de stroom van Uw wezen vloeien door het centrum, laat die gericht zijn op de liefde zelf, om de liefde zelf ter wille te zijn.

Ja, als het zo is, mijne vrienden, als Gij U gericht hebt, volledig op het doel, dat wij liefde noemen – het doel wat de hoogste uiting is, die voor U en ons begrijpelijk gemaakt is van het wezen van den Vader – dan worden wij doordrenkt van die stroom en zoals wij het zeiden, meegenomen, meegesleurd, versterken wij de kracht daarvan. Dan is het voertuig, dat wij thans hebben, goed gericht. Dan is het voertuig, dat wij thans bezielen mogen en moeten inderdaad het volmaakte voertuig, want dan brengt het ons tot God. Dan kan God, die liefde is, door Zijn geest in ons werken, als nimmer tevoren.

Maar vrienden, dit is niet een zaak voor het menselijke verstand alleen. Evenmin een zaak, die volledig begrepen en beantwoord kan worden alleen door het menselijk gevoel. Hier moet spreken die stem in het binnenste van een ieder van ons. Hier moeten de woorden des eeuwigen levens gehoord worden in het diepste van onze ziel. Daar moeten zij begrepen worden, van daaruit omgezet tot de daad. Het schone apparaat, dat ons ten dienste staat, het vernuft, het verstand dat U en ons gegeven werd, vervuld van het geestelijk weten, stelt ons in staat te voldoen aan de opgave waartoe wij geschapen werden.

Goede vrienden, bega de vergissing niet, dat Gij de weg, die voor U ligt denkt te kunnen aanvangen wanneer de tijd van dit stoffelijk bestaan wordt afgesloten.

Goede vrienden, wij kunnen niet nadrukkelijk genoeg zijn wanneer wij U vertellen, wanneer wij U bepalen bij het vaststaand feit, dat het leven nu is in dit leven. Nu hebt Gij de kans om in dit leven volmaakt te zijn, doordat Gij –  doordrongen van de noodzaak – Uw oor in het binnenste van U te luisteren legt, de woorden van den Vader hoort, en ze doet, en Uzelf overgeeft aan die stroom van kracht, die liefde is. U daardoor meevoeren laat en door Uw Zijn de kracht van die stroom vermeerderen wilt – en anders niet.

Gods zegenende handen rusten op U. Hij geve inzicht. Hij geve leiding  aan Uw denken en aan Uw doen.

Amen