Samenkomen in de Opperkamer
Contact

Voor vragen, informatie en ervaringen nodigen wij u uit ons te e-mailen.

info@samenkomenindeopperkamer.nl

2 Maart 1953

Lieve Vrienden,

Wij hebben gemeend de basis van ons samenzijn in enige mate te kunnen verbreden, doordat wij tevoren enige kleine aanwijzingen hebben gegeven omtrent de noodzakelijke voorbereidingen, welke een ieder van U – zo goed als een ieder van ons in deze spheer – moet treffen, wanneer wij op deze manier een bijeenkomst met elkander houden.

Wij hebben ons in te stellen op het samenkomen met U in Uwe spheer. Wij treden in Uw spheer en dat vereist een zekere mate van voorbereiding van ons Zijn.

Zo is het ook met U. Gij moet – wilt Gij de overgang van het verkeren in Uw stoffelijke wereld naar deze opperkamer, waarin een voornamelijk geestelijke spheer heerst, goed doormaken – U daarop voorbereiden.

Dat wil niet zeggen: uitgebreide ceremoniën, niet een uitgebreid ritueel, opdat Gij met ons kunt samenzijn.... geenszins! Maar het is in Uw belang én in het belang van ons anderen die hier met U samen zijn, dat Gij inderdaad voorbereid zijt en dat Gij een toenaderingschrede doet.

Daarmede willen wij zeggen, dat Gij U instelt op het ontvangen. Dat Gij Uw denken – én Uw doen van de alledaagse dingen van Uw bestaan – terzijde stelt en ook terzijde láát. Dat Ge, ieder van U persoonlijk, hier tegenwoordig kunt zijn als een ontvangst-apparaat. Maar.... dat is, in feite, Uwe activiteit.

Er is een passieve handeling, die Gij evenzeer “verricht.” Om deze samenkomsten tot hun volle recht te kunnen laten komen, is het noodzakelijk, dat Gij – ieder van U persoonlijk – bereid bent krachten tijdelijk af te staan. Het is niet voor niets, dat wij U vragen Uw denken en Uw doen – wat normalerwijze Uw activiteit opeist – terzijde te stellen en te laten. Want – terwijl Gij actief ontvangt, staat Gij van Uwe geestelijke krachten tijdelijk iets af.

Wij hebben gemeend dit – wat wij als voorbereiding vereist achten – te kunnen vergelijken met het overgaan van het Zijn volledig in het stoffelijke bestaan tot een geestelijke toestand. Zó wilt Gij ons beeld wel bevatten en ernaar handelen.

Vandaar dat wij verzocht hebben – in Uw belang én in het onze – dat Ge, alvorens te beginnen met ons samenkomen, enige tijd rustig en stil zijt en U instelt, begrijpende dat iets van een verandering bij U plaats vindt. Het rythme verandert. Het is nodig, dat Gij bezield en beleefd zijt door het gevoel van vrede en harmonie, dat Gij allen kent uit ervaring en dat ten grondslag moet liggen aan het samenkomen op deze plaats. Wij danken U voor de bereidwilligheid waarmede Gij deze kleine wenken wilt opvolgen.

Wij komen gaarne met U samen. Samen-komen in een geest van harmonie en verbondenheid tot eenheid, gedreven door de liefde van Christus, die in ons is.... dat is het heerlijkste wat wij kennen. En Gij zoekt dit toch!

Wij willen gaarne iets zeggen vanavond over datgene, wat ons in feite samenbrengt. Wellicht is het niet ieder van U even duidelijk geweest toen een aanvang gemaakt werd met deze onze samenkomsten. Dat is begrijpelijk. Want immers, Gij zijt goede toehoorders geweest en nimmer tevoren heeft iemand van U geweten waarover wij samen spreken zouden. Het had heel anders kunnen zijn, nietwaar? En wellicht is er soms een gedachte bij U geweest, die een geheel andere grondslag had, dan de werkelijkheid van onze bijeenkomsten.

Wij zoeken iets. Gij en wij zoeken sámen iets en samen zoekende komen wij bijeen.

Wij hebben nimmer gepretendeerd, dat wij hebben alwetendheid, geenszins. Wij hebben U slechts voorgehouden, dat ervaring in velerlei levens ons meerder licht en groter inzicht gegeven heeft dan Gij nu nog bezit. En het is onze opdracht geweest – de taak die wij mochten aanvaarden om te getuigen van dit licht, in Uw kring, opdat door U dit licht verder gedragen zou mogen worden.

Wij kennen velerlei kringen van goede vrienden, die samen komen om het contact te beleven met de geestelijke spheer. Wij weten zeer goed, dat voor dergelijke samenkomsten bepaalde stelregels gelden; dat er een regeling als het ware ontworpen is omtrent de gedragswijze van diegenen, die samenkomen op wat men “seances” noemt. Ditis niet zulk een “seance.” En wij zoeken die vorm van samenkomst niet. Wij willen dit uitdrukkelijk stellen! Want wij hebben voor ogen een andere bedoeling van ons samenkomen – zoals wij in het verleden U reeds voorgehouden hebben.

Er bestaan gegronde en volledig geldige redenen waarom wij afzien van het beleven van alles wat lijkt op de belevenissen en demonstraties, die men “seances” pleegt te noemen. Deze vorm van geestelijk contact is in feite niet verheffend en optrekkend tot in hogere spheer, omdat – zoals wij U reeds destijds vertelden – onzes inziens daarmede slechts een sensatielust bevredigd wordt. De gedragswijze, die voorgeschreven is voor het bezien en beleven van dergelijke phenomenen is wellicht goed. De regels die men opgesteld heeft gelden bepaald dáárvoor. Maar wij zoeken dit niet. Wij niet en Gijniet.

 

Maar wat zoeken wij dan wel? Wij willen nogmaals uitdrukkelijk verklaren, dat de belevenissen op vele z.g. “seances” inderdaad nuttig werk verrichten kunnen. Maar men moet en mag daarbij niet stil blijven staan. Het nut van deze seance-vergaderingen ligt besloten in het feit, dat aan sceptici daarmee bewezen wordt, dat er is een leven na de aardse dood. Maar.... wanneer dat eenmaal bewezen en aanvaard is, moet men toch zoeken naar iets meers, naar iets werkelijkers, naar iets groters, naar het hoogste: naar datgene wat wáárlijk Leven is.

Wij hebben U verwelkomd in deze opperkamer. Dààr, waar geen noodzaak bestaat voor het leveren van een bewijs in de aardse spheer, dat het Leven eeuwig is. Dat hebt Gij niet nodig. En wij evenmin, zoals Ge begrijpen kunt. Wij komen dus samen, zoekende naar de grondslag van dat eeuwig Zijn.

Wij denken nu aan het woord van het Heilig Boek: “Zoekt eerst het Koninkrijk Gods en al het andere zal U toevallen.”

Dátwillen wij doen. Dat hebben wij gezocht in de gesprekken die met U gevoerd werden gedurende de weken die achter ons liggen.

Wanneer Gij herleest de woorden die wij tot U spraken, zult Gij daarin een draad herkennen, een opbouw van gedachten van de ene week tot de andere. En wij spraken met U over het feit, dat ons eerste hoofdstuk afgesloten werd. Dat hoofdstuk is echter niet “uit”; het is een begin tot méér; het is de basis van wat volgen gaat. Maar wij menen nu op dit punt te moeten zeggen: dat wat ons verbindt, wat ons samenvoegt en samenhoudt is het gemeenschappelijk zoeken en beleven van het Koninkrijk Gods.

“HET KONINKRIJK GODS IS IN U.”

Lieve vrienden – wanneer wij spreken over de phenomenen, over de verschijnselen, over de gaven van geestelijke werking, die Gij beleven en bijwonen kunt op andere vergaderingen, zijn wij niet schérp in ons oordeel! Maar.... wanneer wij erkennen de opdracht die ons gegeven wordt in het Woord: “Zoekt eerst het Koninkrijk Gods.... en al het andere zal U toevallen” of “zal U toegeworpen worden” – dan kúnnen wij toch niet afwijken van het pad, dat voert naar de kern! Dan kunnen wij toch geen tijd verspillen met een kleine afspiegeling, een klein onderdeel.... maar dan moeten wij geconcentreerd blijven op dat éne wat telt, dat éne wat leven geeft aan ál het andere Zijn: het Koninkrijk Gods in ons.

Een Koninkrijk.... dat wil zeggen: ordening, macht, kracht. Zeer zeker.... “ordening” is dáár, want God overwon de chaos door Zijn wezen. “Kracht en macht”.... inderdaad. Hebben wij – allen van ons – niet reeds iets van de Goddelijke kracht ervaren? En kennen wij niet reeds het besef, dat die kracht Liefde is?
Dit Rijk van kracht, van macht, dit geordende Rijk met zijn stelsels van wetten.... is binnen in ons. Dit is een waarheid, mijne vrienden! Dit te beseffen betekent héél veel; veel meer dan iemand Uwer nog vermoeden kan.

Het Koninkrijk Gods in ons: dat te kennen, betekent dat wij de ordening Gods begrijpen. Dit moet Gij leren beseffen. Wanneer Gij de ordening, het stelsel van Gods wetten, dat in U is en in U werkt, begrijpen gaat, dan is al het andere U toegeworpen.

“Zoekt eerst het Koninkrijk Gods.”

 Niet een enkele wet; niet een enkele uiting van kracht of van macht; dat is niet het middel om tot de kerndoor te dringen. Maar die kern zelf ligt in U en die kern benaderen, dat doen wij gezamenlijk, maar.... individueel.

Wij komen samen om te onderzoeken het Koninkrijk van God.... in ons. Wij bestuderen de werking van zijn wetten.... in ons. Wij maken ons eigen – wij laten ons bewustzijn vervuld worden van – het wezen van den Vader, dat werkt inen doorons, opdat Hij grotere heerlijkheid in óns beleven mag. Het is Zijn opdracht dat wij Hem kennen zouden.

De geschiedenis – zover Gij die kent en zover wij die kennen – heeft talloze voorbeelden van het feit, dat de Vader bekend wil zijn door Zijn kinderen, dat Hij op den weg der Liefde telkens en telkens weer het mensdom tegemoet treedt, dat Hij de leraren gezonden heeft tot voorbeeld, die het pad wijzen.

En Hijzelf treedt ons op dien weg héél dicht tegemoet! Hij wil ons Zijn wetten, de wetten van Zijn wezen, verklaren. Hij wil dat wij kennen Zijn Koninkrijk in ons.

Zelfkennis, daar beginnen wij mee. En daarmede eindigen wij. De weg des levens is de weg van zelfkennis. Van dit leven, van volgende levens. Want wij dragen God in ons, Zijn Koninkrijk is in ons gevestigd. Zijn wetten worden in óns leven, in ons Zijn, in ons bewust-Zijn gedemonstreerd; hun werking is waarneembaar in ons. Zijn kracht vloeit in en door ons. ZijnLiefde is in ons, Zijn wezen in den mens. ­

Dit pad vereist veel wat Gijlieden meditatie en contemplatie noemt. Wie zichzelf wil zien, stelt zich voor zijn spiegelbeeld. Wanneer Gij Uw innerlijk zelf zien wilt, dan kunt Gij dat slechts door Uw spiegelbeeld te betrachten. Het spiegelbeeld van Uw ziel is Uw hoogste aspiratie. Nu kunt Gij Uzelf bedekken met velerlei kleur, met velerlei versiering, met velerlei kleding, maar.... die spiegel ziet daar door heen.

Het Koninkrijk Gods, dát zoeken wij. Dat zoeken wij in onszelf en in den ander. Dat zoeken wij in het heelal. Maar wij beginnen bij onszelf. Daar ligt het begin en – wij zeiden het reeds – daar ligt het einde. Wij behoeven niet verder te gaan.

Ons zoeken langs velerlei banen en wegen heeft weinig nut, geen nut. Het zoeken van God moet in onszélf geschieden.

“Zoekt en Gij zult vinden. Klopt en U zal open gedaan worden.” Zoekt wat Ge wilt; klopt aan welke deur ook, iedere deur kan voor U opengaan. Waar Ge ook zoekt en wat Ge daar zoekt.... dat kúnt Ge vinden. Maar slechts wanneer Gij dit hoogste gebod wilt opvolgen: “Zoekt eerst het Koninkrijk Gods!” Dan komt Ge tot de kern. Al het andere zoeken is bijzaak, alle andere deuren leiden naar dwaalwegen. Maar wanneer Gij het Koninkrijk Gods in U wilt zoeken, dan zal al het andere U toevallen. Logisch is dit. Volledig begrijpelijk, ook voor het menselijk verstand.

Goede vrienden: wij komen uit een andere spheer U tegemoet om U te leiden en te helpen waar wij mogen, opdat Gij de schoonheid, de pracht, de glans, de kracht en de macht van het Koninkrijk in U zult ervaren, beleven, in waarachtigheid vinden. Wij kúnnen U helpen, wij hebben iets meerdere ervaring, wij zijn iets verder gegaan op den weg van zoeken.... zoeken naar het Koninkrijk in ons, ervan vindende bij stukjes en beetjes wellicht.... maar: wij hebben iets meer gevonden.

Gij moet niet denken, dat het belangrijk is of Gij het contact met de geestelijke wezens hebt of niet, of Gij samenkomt en daar een demonstratie hebt van het spreken zoals thans geschiedt. Dat is slechts om Uw eigen denken, Uw eigen zoeken in-U-zelf richting te mogen geven. Maar het werk aan Uzelf, doet Gij altijd alléén zelf.

Die astrale wereld, die zo dicht bij Uw spheer leeft – heeft U niet veel meer te geven dan Uw spheer U bieden kan. Niet zo heel veel en de afscheiding tussen beide werelden is niet zo dicht, en als het ware gemakkelijk overbrugbaar. Dat is niet zo belangrijk. Belangrijk is, dat wij van onze kant, z.g hogere geestelijke wezens, tot U kunnen komen en mogen komen om Uw denken te helpen en er richting aan te geven.

Één richting is dan slechts mogelijk: de weg die voert tot de ontdekking van het Koninkrijk.

Mogen wij samen gaan langs dat pad.

Mogen wij samen gaan, U steunende en schragende wanneer het gaan soms moeilijk valt.

Mogen wij dan altijd aan Uw zijde blijven en – indien wij daar niet zijn.... gelooft het, beseft het: Gij zijt omringd door een heirleger van geestelijke wezens, die in Uw vooruitgang hun grootste vreugde beleven. Omdat Uw vooruitgang betekent, dat het Koninkrijk des Hemels gevestigd wordt.

Zo zij het.

Amen