Samenkomen in de Opperkamer
Contact

Voor vragen, informatie en ervaringen nodigen wij u uit ons te e-mailen.

info@samenkomenindeopperkamer.nl

1 Juni 1953

Wij weten niet hoe het nauwkeurig uit te drukken welk een merkwaardige indruk het op ons maakt, wanneer wij de aardse mensen gadeslaan die menen dat eerst wanneer het uur van sterven gekomen is – eerst wanneer zij het aardse bestaan dat zij thans leiden beëindigen zullen – dat zij eerst dán zullen ingaan in het eeuwige leven.

Dat is een merkwaardige gedachtengang voor ons, in onze wereld, die veelal in staat zijn om de mens-in-de-aardse-sfeer te zien tegen de achtergrond van ál hetgeen vooraf gegaan is aan de phase van zijn bestaan zoals dat zich thans in Uw stoffelijke wereld afspeelt. Voor ons is het veelal onbegrijpelijk, dat de aardse mens zichzelf kan zien alleen in dit stoffelijk bestaan, met een vooruitzicht naar wat volgt. Er is wel bijkans niemand onder Ulieden en onder Uw vrienden-in-de-aardse-sfeer, die niet – onuitgesproken, maar wel zeer degelijk waar – verwacht, dat het einde van het stoffelijk leven, het stervensuur, dat eerst dáárna volgt de ingang in het eeuwige leven.

Hoe merkwaardig is dit voor ons! Voor U, goede vrienden, evenzeer. Want Gij zijt U bewust gewórden, dat, waar Gij zijt en hoe Gij daar zijt, past in een beeld van het Leven dat een oorsprong heeft ver terug, een Leven dat voortgaat, óókwanneer het stoffelijk-leven verwisseld wordt voor een ander.

Wij zeiden het reeds: onder de stoffelijke mensen heerst de zekerheid, dat na dit leven een eeuwig-leven volgt. Zeker.... wij weten het wel: er zijn stemmen die opgaan en die verkondigd willen als overtuiging, dat het leven-in-de-stof alles is. Welnu, wij nemen die woorden niet heel ernstig op. Want deze mensen – hoe ernstig en goedwillend ook, hoe diepdenkend zij ook menen te zijn – zij weigeren gehoor te geven aan wat het “instinct van Leven” genoemd zou mogen worden, datgene wat spreekt in álles wat leeft.

Leven is eeuwig-Zijn. Zo voelt de mens het, wanneer hij of zij bewust wil luisteren naar de innerlijke stem, die spreken wil, die gehoord wil worden. Maar wanneer men daaraan géén aandacht geven wil – omdat het luisteren naar die stem verstoren zou het beeld dat men zichzelf heeft opgetrokken omtrent het Zijn – dan betekent dit nog niet, dat de innerlijke gesteldheid van die mens ánders is dan van hem of van haar, die de eeuwigheid in zich voelt en bekent dat het stervensuur wordt de ingang naar een ruimer Zijn. Neen, die gedachten, die uitspraken van hen, die “Leven” bekorten zouden willen tot het verblijf-in-het-stoffelijk-Zijn, die nemen wij niet zo ernstig als sommigen Uwer het doen. Want wij wéten, dat de stem der eeuwigheid – die spreekt in al wat bewust leven kent – óók gehoord wordt door hen, die ogenschijnlijk geen geloof aan de boodschap van die stem hechten.

Merkwaardig is het dus voor ons – die weten uit ervaring en door waarneming van omstandigheden en feiten, die Gij veelal nog niet kunt zien – merkwaardig is het dus voor ons, dat velen onder hen wier bestaan zich thans in het stoffelijk leven afspeelt, menen dat de eeuwigheid, het eeuwige Leven, voor hen eerst aanvangen zou wanneer het stoffelijk kleed wordt afgelegd.

Neen, goede vrienden. Zo is het niet. Zo is het niet met U en met geen dier vrienden die deze mening aanhangen. Dat is een wanbegrip. Een wanbegrip, dat aanleiding geworden is tot velerlei misverstanden.

Wanneer de mens, zoals Gij en wij, weten mag dat een geschiedenis vooráfgegaan is – een persoonlijke geschiedenis – aan dat wat wij zijn tháns, dan opent dat weer grotere mogelijkheden voor het begrijpen van wat volgen moet.

Wij spraken met U, de vorige malen dat wij tezamen kwamen, omtrent de tijden, toen men leefde in angst en in vrees. Men aanbad een God, die vrees aanjoeg en die verschrikkelijk was. Nietwaar, daarover hebben wij gesproken.

Welnu, uit die tijden stamt Gij en stammen wij. Wij, zoals wij nu zijn, hebben de ontwikkelingsgang dóórgemaakt, tót het punt dat wij thans bereikt hebben. En wij zijn die wij tháns zijn, omdat wij méde die lange weg hebben afgelegd. Wij hebben, ieder voor ons persoonlijk, gelééfd in de verschrikking, in de angst, in de vrees die wij toen gevoelden voor Hem, Dien wij thans Vader noemen. Wij hebben beleefd de tijden waarin offers geplenkt werden en wij hebben die offers gebracht.... aan een voorstelling van God, die om offers vroeg, offers om te bezweren zijn toorn, zijn woede. Die tijd hebben wij doorleefd. Die tijd, die omstandigheden hebben wij geleefd en beleefd. En wij zijn uitgegroeid – van dáár uit – om te worden die wij tháns zijn. Wij moeten U dit uitdrukkelijk en met nadruk voorhouden.

Wanneer Gij in het plantenleven de oorsprong van bepaalde specimina nagaat, dan zult Gij zien, dat het verfijnde, gecultiveerde product, dat Gij thans kent, is opgebouwd uit bestanddelen van oorspronkelijke stadia.... die nog steeds hun eigenschappen doen gelden.

Zo is het ook met U en met ons. Wij zijn gegroeid, ons begrip, ons bevattingsvermogen is uitgegroeid; zózeer zelfs, dat een vergelijking tussen U en die primitieve mens uit het verleden als het ware belachelijk en beledigend zou kunnen schijnen.

Mijn goede vrienden, Gij volgt ons hier: Wij willen aandringen op de aanvaarding van het feit, dat Gij en wij gegroeid zijn uit die primitieve mens. Dat er in U én in ons eigenschappen leven, die destijds die primitieve mens behéérst hebben. Eigenschappen die destijds het motief waren voor de aanbidding van de Geweldige, die hij God noemde.

Wij buigen ons neer voor Hem, die onze Vader is. Wij aanbidden Hem, wiens naam is Liefde. Wij, die gekomen zijn die lange weg van de tempels waar de offeranden gebracht werden aan Hem, die wraak nam, die vrees en angst inboezemde. Wij hebben geleerd Hem beter te verstaan, zodat wij, Hem kennende als Liefde, Hem “Vader” noemen mogen.
Hier moet Gij U volledig inwerken. Hier moet Gij veel bij blijven stil staan. En dan, zoekt dán in Uzelf! Gij zegt “Onze Vader” en Gij meent dit ook. Maar toch.... hoeveel is er, in Uw benadering van den Vader, gebleven uit die tijd.... toen Gij in angst en vreze voor de altaren stond van de Geweldige.

Wij noemen dit omdat wij, in de arbeid die hier verricht wordt, veelal stuiten op gevolgen – in het stoffelijk Zijn – van een geestelijke houding, die inderdáád ongewijzigd gebleven is.

Het is een scherp woord dat wij hier spreken, maar – wanneer wij begrip willen hebben voor veel wat thans zich afspeelt – dan moeten wij de voorbeelden nemen, die het duidelijkst spreken. Wanneer wij zouden zeggen: “dit of dat is vagelijk terug te wijzen tot een houding uit een primitieve staat die voorafgegaan is aan wat Gij thans kent”.... dan hielpen wij niet. Maar wij willen waar mogelijk een scherp beeld tekenen, een beeld, dat omlijnd is als wit tegen zwart. Zo zeggen wij: hier, in dit werk van genezing, komen wij in aanraking met veel dat zich afspeelt in het stoffelijk lichaam van onze vrienden tengevolge van een ongewijzigde geestelijke houding. Men spreekt van den “Vader,” men aanbidt – in de vorm – de God die Liefde is; maar in werkelijkheid staat men nog steeds met de bloedige offers, die geëist worden door de God der Wrake die angst en vrees opriep!

Dat is de werkelijkheid, mijn vrienden. Zovelen zijn er, in Uw tijd, in deze eeuw, bij deze verlichting die gegeven wordt, die nog steeds vasthouden – onbewust inderdaad – aan het feit, dat God is Hij, die de donder uitzendt, die neerslaat en verwoest. En dán komen wij tot de onevenwichtigheden, tot de conflicten, die zich uitwerken moeten in de vorm, waarin wij thánsons leven vervolgen.

Gij begrijpt ons hierin! Wij spraken met U de vorige maal dat wij samen kwamen en droegen U op het hoog bevel: Jaagt de Liefde na, maakt Liefde het doel en de drijfveer van Uw leven. Liefde sluit angst en vrees uit. Wanneer wij dát slechts deden, wanneer wij allen, ieder van ons, zó gericht waren.... hoe zouden wij dan in grote en volle mate vervuld worden van God Zelf!

Wanneer wij willen leren omtrent onszelf, moeten wij leren van anderen. Indien Gij wilt weten hoe Uw gang van ontwikkeling geweest is, graaft dan na in wat de geschiedenis U leert. En.... Gij allen hebt het voorrecht, dat het oude, het Heilige Boek, binnen Uw bereik is. Wij weten het wel: er is daarin veel dat geschreven is, herschreven, vertaald, opnieuw geschreven, opnieuw vertaald en in vele gevallen is verminking ingetreden.... zeer zeker. Maar laat U dat niet afschrikken. Laat U dat niet weerhouden om te leren.... de geschiedenis van Uzelf, die dáárin opgetekend is en voor U, zoals voor ieder ander, vindbaar. Wanneer Gij die geschiedenis van Uzélf, in de vorm zoals die staat in het Bijbelboek, aanschouwt en bestudeert, dan wordt Gij Uzélf duidelijker.

Wanneer Gij komt aan de passages, die handelen over het vernietigen van de wetten van “oog om oog” en “tand om tand,” zegt dan Uw diepste stem in het geweten: “ja, ik ben bevrijd van de kracht dier wetten; ik ben vrij gemaakt.” Dáárom gaat het. Dat is de ontwikkelingsgang voor U, zoals die gang voor óns bepaald werd.... dat wij uitgroeien, geheel, uit het verleden, uit dat verleden van angst, van vrees, van onrust, en dat wij gegrondvest worden.... in de Liefde. Dáárom, goede vrienden, gaat het.

Wij spreken met U in dit christelijk land op deze wijze, omdat Gij onze gedachten in deze vorm uitgedrukt volgen en begrijpen kunt. Indien wij onder onze toehoorders hier in deze opperkamer zouden hebben vrienden uit andere delen van de wereld, dan zouden wij wellicht op andere wijze tot hen spreken. Maar – wanneer Gij bedenken wilt – wat Uw wetenschap reeds lang heeft vastgesteld – dat de gedachten, de feitelijkheden van Uw christelijk geloof zoals die zijn uitgedrukt in het Bijbelboek, niet vreemd zijn voor hen wier basis gevonden wordt in andere landen der aardse – dan zult Gij begrijpen dat wij de zelfde gedachten uitspreken zouden, gebaseerd op wellicht andere heilige boeken.

Jazeker, overal waar de mens gegroeid is van de primitieve toestand van angst en vrees – waar ieder offer gevraagd werd ter voldoening van een ander offer – overal ter aarde waar die toestand uitgegroeid is tot de huidige toestand, daar hééft men geleerd, dat God is Liefde.

Of men in christelijke landen is opgevoed, of wel in andere delen van de wereld, dat maakt zo weinig verschil. Waar men God gediend heeft en nóg dient, daar heeft Hij zich geopenbaard als de Liefde zelf.

Wij komen tot U met Liefde. Wij komen tot U omdat zo onze opdracht luidt. Wij – die in vorige levens dienaren waren in de kerk van Christus – wij mogen tot U komen omdat wij Uw begrippen, Uw denkbeelden en Uw denkwijze aanvoelen als geen ander. Want Gij en wij zijn één. Wij kunnen uitdrukking geven aan de Boodschap – die thans op vele plaatsen in Uw wereld wordt gebracht – op een wijze, die voor U aanvaardbaar is.

Maar denkt niet, dat Gij, die hier in deze opperkamer samen komt, speciaal-bevoorrechte vrienden zijt. Neen, zeker niet! De Boodschap, die thans vanuit onze sferen wordt gegeven, is dezelfde – overal en altijd weer – wanneer die boodschap wordt gebracht. Maar de vorm is gekozen om zich aan te passen bij hen, die de boodschap ontvangen mogen.

Gij zijt hier één groep. Hoevele meerdere groepen van deze aard er zijn, wij kunnen het U niet zeggen, maar véle zijn er. En door dit werk, dit groepswerk, dat thans verricht wordt, hopen en verwachten wij, dat de Boodschap – die voor Uw wereld gegeven werd in het leven en de lering en het voorbeeld van Jezus de Christus – inderdaad de aarde vervullen zal.

Het Heilig Boek zegt van Hem, dat Gods eigenschappen volmaakt in Hem waren. En Christus leeft in U! Volmaaktheid leeft in ons.

 Goede vrienden, wilt dit beseffen! Wilt hier aan vasthouden! Christus leeft in ons. En in Hem is God, volmaakt. Volmaaktheid, Goddelijkheid leeft in U en in ons. Hoe kunnen wij – wanneer wij beseffen willen, dat deze band bestaat tussen ons en de Vader – hoe kunnen wij dan terugvallen op ángst en op vréés? Hoe kunnen wij dan – God kennende als Liefde – een houding toelaten op enig punt, die terugvalt op offeranden om wraak te bezweren? God, die Liefde is, volmaakt in Christus, die in en door ons leeft.

Lieve vrienden; wij hebben vanavond verder gesproken, wij zijn opnieuw ingegaan op datgene wat reeds voorbereid werd op eerdere avonden, dat wij samen kwamen.

Wij danken U voor de liefdevolle belangstelling, waarmede onze woorden ontvangen werden.

Wij willen niet van U scheiden en het contact van hedenavond verbreken, zonder U nogmaals uitdrukkelijk de verzekering te geven, dat Gij gaat Uw weg – door dit leven van alle dag – begeleid, omringd en gesteund door Uw vrienden en Uw helpers uit ónze wereld.... ongeziene vrienden nog. Maar zij kennen U en Gij kent hen. Zij zijn om U heen, zij bewandelen met U “de brug” die geslagen is vanuit Uw bestaan en het onze, waarover wij elkánder benaderen kunnen. Die vrienden gaan met U en blijven bij U. En wanneer Gij onze woorden beluisterd hebt en ze overdenken wilt, wanneer Gij dan de conclusies daaruit wilt trekken – ieder voor Uzelf, ieder naar Uw eigen tekorten, Uw eigen geaardheid – wéétdan, dat Uw helpers en vrienden in de geestelijke sfeer U daarbij behulpzaam zijn. Dat Uw dénken door hun aanwezigheid beinvloed wordt.

Wij willen nu ook nog gedenken de aanwezigheid – die Gij niet waarneemt, maar die wij kennen – van haar wier aanwezigheid in de stoffelijke vorm ons steeds veel vreugde geeft. Wanneer Gij op deze avonden ontbreken moet, dan betekent dat niet, dat Gij niet verbonden blijft met ons. Wij verzekeren U, dat – óók wanneer een Uwer niet hier zelf in de stof aanwezig is – de band onverbroken blijft. En de krachten, die hier samengebundeld worden voor het welslagen voor deze contacten, die krachten doen zich gevoelen, die geven hun uitwerking óók wanneer een Uwer niet zélf in de opperkamer aanwezig is.

Wij willen U nogmaals zeggen hoe belangrijk het is, dat Gij met ons en wij met U nauw verbonden blijven in dit contact. Wij willen U nogmaals nadrukkelijk op het hart binden, dat Gij – met elkander – in de vorm van leven waarin Gij thans zijt, de band vasthoudt en ongebroken laat, opdat Uw kracht een gemeenschappelijke kracht zij en blijve. Wanneer een Uwer lijdt, lijden de anderen. Moge het zo zijn! Moge Gij het zo gevoelen zoals wij het met U gevoelen mogen. Opdat wij, in een gemeenschappelijk uitstrekken van onze handen in het Geloof, een gemeenschappelijke uitstorting van kracht en vermeerdering van sterkte ervaren mogen.

Wij danken U.

Amen.