Samenkomen in de Opperkamer
Contact

Voor vragen, informatie en ervaringen nodigen wij u uit ons te e-mailen.

info@samenkomenindeopperkamer.nl

29 Maart 1954

Welkom, goede vrienden, in deze zaal, die wij de “opperkamer” genoemd hebben; de “opperkamer” – in de herinnering aan de “opperzaal,” waar zij, die hun Meester in de aardsche sfeer verloren hadden “eendrachtiglijk” bijeen kwamen en waar zij ontvingen: De Trooster, Die hen geleid heeft – en Die ons nu leidt – in alle licht en waarheid.

Welkom, Gij goede vrienden – de “geziene” gasten en de “ongeziene” – die hier eendrachtiglijk bijeen gekomen zijn, om geleid te worden door den Geest, Die licht is en Die waarheid is. Zoo komen wij hier samen, goede vrienden, telkens en telkens weer, om de leiding te ervaren – niet van entiteiten, niet van persoonlijkheden, niet van een eenheid, niet van een stoffelijke macht, niet van een wereldsche of van een spiritueele macht, maar om geleid te worden door de Geest zelf. Dat zoeken wij, Gij en wij.

Wij zijn vanavond bijeen gekomen om die leiding te zoeken. Om te leren zien. Om te leren horen. Om te leren verstaan.... en om gehoorzaam te wezen, goede vrienden.

Wij keren in tot ons zelve: het rijk Gods, dat in ons is – het hemelsche rijk, dat wij in ons dragen, - het rijk van den Geest in ons – het Gods Rijk in ons, dat ons is toevertrouwd, waarmede wij werken mogen en moeten – wat wij moeten openstellen om het grootere bewustzijn van God Zelf te kunnen uitdragen – het ontvangende – door te geven aan anderen: Opdat de aarde vol worde van Zijn heerlijkheid! Zoo is het de bedoeling van ons “zijn” goede vrienden.

Wij willen vanavond gaarne opnieuw eenige woorden met U spreken over de beteekenis van het bewustzijn, dat in ons leeft, dat wij in wezen zelf zijn, ons bewuste “zijn.” Ja, daar gaat het om. Daarom komen wij telkens weer samen in deze “opperkamer,” die wij betreden mogen in het verlangen om samen grootere eendracht te beleven, opdat inderdaad in ons de gestalte van het geestelijk beeld van God grooter en duidelijker moge groeien.

Bewust zijn van Hem in ons, in ons wezen Zijn wezen herkennen. Dat zoeken wij immers. Wij weten het: Bij velerlei gelegenheden hebben wij er over gesproken, dat de mensch zelf het stoffelijk “ik” en al wat ermede verbonden is als zijn “zelf,” moet en kan worden afgelegd. Het “zelf” moet afgelegd worden, wil de grootere gestalte van Hem, die ons riep en schiep, inderdaad tot glorierijke ontwikkeling kunnen komen.

Afleggen. Ja, inderdaad. Hoe vaak hebben wij reeds met U gesproken over de kruisiging van het “zelf” wanneer wij hier samen komen en wanneer wij de lessen betrachten, die gezamenlijk ontvangen worden. Wanneer wij de woorden tot ons gesproken – die op zoo velerlei punten aansluiting vinden bij datgene, wat om en in ons zich afspeelt – herdenken, dan kunnen wij onmogelijk betrachtende blijven. Dan moeten wij in de practijk van ons leven datgene, wat wij ontvangen hebben, toepassen, opdat wij er de waarde van ondervinden, opdat ons bewustzijn er door moge groeien.

Goede vrienden, wanneer wij het bestaan van bewustzijn aannemen en er tevreden mede zijn, dat het er is en wanneer het verder nauwelijks een rol in ons leven gaat vervullen, welk nut ware het ons, dat bewustzijn in ons gewekt is. Het is het kiemende zaad, dat in ons is: Het zaad van het Goddelijk vermogen, dat in ons ligt en dat groeien wil. Bewustzijn in ons zelf, d.w.z. bewust zijn in de geest, die in ons is. Wij hebben de geestelijke bewustwording gekend, anders waren wij hier niet samen gekomen – “eendrachtiglijk,” zooals wij het uitdrukten.

De eendracht tusschen ons is dit: Dat wij geestelijk bewust geworden zijn: Geestelijke bewustwording verlang: Geestelijk, geestelijke groei, uitbreiding van het “zijn” in ons geestelijke wezen. Dat zoeken wij hier.

Wij kunnen er onmogelijk bij stil blijven staan, dat een kiem in de aarde gevallen is. Neen. Die kiem moet groeien, moet verzorgd worden. Dat is de bedoeling van ons samenkomen. Wij hebben hier een kring, een groep gevormd. Gezamenlijk zijn wij bijeen om dit werk van het geestelijk bewustzijn, de groei van ons geestelijk wezen – individueel en persoonlijk – en als groep en kring – te overwaken en te bevorderen. Een kring, van “geziene” vrienden in de aardsche sfeer en de vele andere vrienden, de “ongeziene” gasten, die hier met U aanwezig zijn.

Wij deelen iets aan elkander mede. Gij aan ons, die hier de “ongezienen” zijn, en wij aan U.

Wij komen niet samen om geleerd te worden door het uitspreken van woorden. Wij streven ernaar, dat het bewustzijn, dat in ons leeft – in U en in ons – zoo groeien moge, dat het spreken onnoodig wordt, omdat wij het “eendrachtiglijk bijeen zijn” – zooals wij het nu beleven – ook verder kunnen voeren, zoodat een eendracht, een eenheid van geestelijk leven en –bewegen bereikt moge worden, waarbij alle woorden wegvallen. Het is goed en zelfs noodzakelijk, dat thans nog woorden gesproken worden – woorden, die U en ons bepalen bij de beelden, die opgeroepen worden in den zin, welken wij hier naar voren mogen brengen. Maar Gij en wij moeten ons er bewust van zijn, dat wij geroepen zijn – als kinderen van den Vader – om éénheid te beleven in ons leven, nu en thans.

Gij moet niet denken, dat het verwonderlijk is, dat er gesproken kan worden zonder dat er woorden gebruikt worden. Immers, wanneer wij in ons zelf – in het Koninkrijk Gods in ons – ingaan en van daaruit leven, dan hebben wij in dat Koninkrijk gemeenschap met alle anderen, die het geestesrijk in zich – het Koninkrijk in zich – zoeken, het bewonen, het bevolken, het bezielen en van daaruit hun levensgang vervolgen.

Wanneer wij U dat uitzicht voor oogen stellen, denken wij niet aan een verre toekomst. In tegendeel. Wij meenen, dat ieder Uwer zich meer en meer bewust dient te worden, dat het contact tusschen U en Uw geestelijke vrienden in beide sferen reeds thans mogelijk is en tot stand wordt gebracht.

Wanneer Gij leeft als wij, in de geestelijke wereld, en wanneer het stoffelijke kleed is afgedaan, is het inderdaad niet mogelijk op andere wijze met onze vrienden in deze sfeer te verkeren dan wat wij met U persoonlijk, individueel en als groep zoeken te bereiken. Gij moet U toch ook bewust zijn, ieder Uwer persoonlijk, dat er om U heen is een haag van vrienden en bekenden, liefdevolle verwanten in geestelijk opzicht, die met U samen komen, die telkens en telkens weer hun aanwezigheid aan U willen bewijzen, omdat zij Uw helpers zijn bij het werk, op het pad, dat wij gezamenlijk moeten vervolgen. Wanneer Gij U daarvoor openstelt, wanneer Gij het bestaan wilt erkennen van intuitie, gevoeligheid, van Uw gevoelsleven, wanneer Gij wilt stilstaan bij de kleine aanduidingen, die ieder Uwer persoonlijk reeds heeft ondervonden en verder gaat ondervinden en er de aandacht aan wilt geven die dit toekomt, dan kunt Ge van daaruit dit bewustzijn van de geestelijke verbondenheid met anderen in U voelen groeien.

Wij houden U niet iets voor wat als een ver, bijna onbereikbaar punt in de toekomst ligt, maar thans en nu kunt Gij de verbondenheid met ons beleven wanneer Gij – uitgaande van het Koninkrijk Gods in U – de benadering van anderen, die een zelfde gerichtheid kennen, wilt aanvaarden en erkennen en ernaar wilt handelen. Het feit dat er geestelijke vrienden om U heen zijn is U voldoende bekend. Het feit dat Ge hier komt, dat Ge ons aanvaard hebt, dat Ge onze leiding, ons medeleven met Uw leven wilt aanvaarden op de wijze, zooals Gij dat doet, is aanleiding, dat er ook mogelijkheden bij U open gaan om een grootere belevenis in dit opzicht te hebben.

Maar goede vrienden, hoe dikwijls hebben wij U gewaarschuwd – en wij herhalen het nu opnieuw – voor datgene, wat men in de aardsche wereld met betrekking tot het beleven van ervaringen, die het contact met de geestelijke wereld bewijzen, “phenomenen” noemt. Wanneer er in U een eigen geestelijk bewustzijn leeft, wanneer Uw geestelijk “ik” gewekt is en tot opbloei en tot groei gaat komen, dan behoeven wij er nauwelijks aandacht aan te geven, dat er phenomenen van deze aard zijn. Het doel dezer phenomenen is bekend. Het doel is: De mogelijkheid te bewijzen, dat er een leven is na de aardsche dood. Het doel is: Aandacht te vragen voor diegenen, die overgegaan zijn naar de andere sfeer.

Maar wanneer wij erkennen, dat wij Gods Geest in ons dragen, dat wij Gods kinderen genaamd mogen worden omdat Zijn Geest in ons dit getuigt, hoe kunnen wij dan twijfelen aan de mogelijkheid van eeuwigheidsleven – dat in ons is en blijft en dat niet beïnvloed kan worden door het sterven in den vorm – zoals wij de dood zien.

Goede vrienden, wanneer dit feit voor ons vast staat, wanneer het geestelijk “ik” in ons leeft en spreekt, dan kunt Gij immers ook aannemen, dat alle geestelijke wezens – gericht op dezelfde straal als waarop Gij gericht zijt – met U contact mogen en moeten hebben, het zullen zoeken, het willen beleven, omdat wij gericht zijn op eenzelfde doel: Opdat wij de verbreiding van het Koninkrijk Gods op aarde mogen dienen.

Wij hebben in de afgelopen weken veel tot U gesproken. Wij spraken met U over het middelpunt van ons “zijn”, het middelpunt, zooals wij het voor ons zelf gesteld hebben, zooals wij U opgewekt hebben om evenzeer het middelpunt voor Uw leven te stellen op Christus, Dien alleen, en van daaruit de beweging van het leven zelf te beleven. Welnu, goede vrienden, daarin zijt Gij verbonden met velen. De hemelsche sferen, de geestelijke sferen komen naderbij. Zij zijn altijd nabij geweest. Maar de mogelijkheid is bij de menschen – de aardsche wezens – geschapen om die nabijheid te beleven, te ervaren en er deel aan te hebben, er gebruik van te maken in de samenwerking tot het groote doel: Dat het Koninkrijk Gods moge komen en Zijn Wil moge geschieden in ons, die de dragers zijn van het rijk – dat wij het Gods Rijk noemen, het geestesrijk – het rijk niet van ons, niet van aardsche, wereldsche menschen, niet van geestelijke menschen. Neen. Wij zijn wat wij zijn, omdat wij Zijn kinderen zijn. Omdat Zijn Rijk in ons gevestigd werd, omdat Zijn Geest in ons meer en meer uitgestort wil worden.

Wat wil dat zeggen, goede vrienden? Wij spraken er reeds over: Het beleven van het geestelijke “ik” – dat niet is een persoonlijk “ik”, maar het Goddelijke “ik” in ons. Dat wil zeggen, dat het “zelf” – het aardsche “zelf”, het stoffelijke “zelf” – het wezen van het “zelf” geofferd dient te worden, opdat God het Zijne in gebruik moge nemen en in dienst moge stellen van Zijn wil.

Goede vrienden, deze woorden werden goed gekozen. Daarmede werd de bedoeling juist uitgedrukt: God wil ons – die Zijn eigendom zijn – in Zijn dienst stellen door Zijn wil door ons te laten werken. Wanneer Gij dat beseft, dan hebt Gij geenerlei vragen meer te stellen. Dan zijn alle vragen beantwoord. Maar het is een bezit, goede vrienden, een Gods geschenk, dat U in het bezit gegeven werd. Telkens en telkens weer zult Gij het moeten bevechten om het te bewaren. Wanneer Gij de overgave aan den Wil des Vaders zoekt – en wie onzer zoekt die niet – denkt dan niet, dat Ge eens en voor al geheel de Zijne geworden zijt. Hij wil in U groeien. Zijn groei in ons doet pijn aan het “zelf”, dat wij willen afleggen, opdat Hij groeien moge.

Goede vrienden, te zijn: het uitvoeringsapparaat van den Wil des Vaders, wil zeggen, dat alles in en om ons – wat niet is gericht op Hem – in opstand komt om te behouden, datgene wat het heeft veroverd en wat moet worden prijs gegeven. Denkt niet, dat de weg van degenen, die de kinderen Gods genaamd zijn – omdat Gods Geest in hen dit getuigt – een eenvoudige weg is, geenszins. Wij spraken U destijds ervan – en wij herhalen het opnieuw, en zullen het U telkens weer voorhouden – dat de Groote Meester ons riep om Hem te volgen, ons kruis op onze schouders nemende, het kruis, waaraan wij genageld willen worden, dragen wij met ons. Bedenkt dit, goede vrienden. Het beeld is zoo duidelijk als maar zijn kan.

Symboliek is in dit geval nauwelijks noodig. Wanneer wij ons dit voor willen stellen, wanneer wij ons dit willen indenken, dan is het wel duidelijk, dat de weg, die gegaan moet worden, een weg is gericht op de vernietiging, de kruisiging van het “zelf” – opdat het Groote door ons moge werken. Het is absolute “zelfloosheid”, die wij zoeken te bereiken, opdat er een grooter “ik” door ons moge werken. Dat zoeken wij.

Wij zijn “eendrachtiglijk” bijeen met één verlangen, één doel voor ons samenzijn, één doel voor het leven, dat wij individueel, persoonlijk en als groep of kring leiden, n.l.: Dat het Koninkrijk Gods in ons – persoonlijk en gezamenlijk – moge doorbreken en opbloeien.

Wij zoeken de kracht, die is: De wil des Vaders. Wij zoeken de liefde, die is: Christus’ beeld in ons. Wij zoeken: Vermeerdering van bewustzijn, goede vrienden. Bewustzijn – niet van het “zelf”, niet van het stoffelijke “zelf”, maar van het Goddelijke “ik” in ons – van Hem, Die is en blijft – Die alles is, de oorsprong aller dingen. Wiens denken de scheppingsdaad is, die ons tot stand bracht. Wiens liefde het is, die in ons kan spreken. Wiens Geest in ons wil worden uitgestort – Geest, die alles is, alles draagt, alles geeft, alles wekt, alles overwint.

Wanneer er belemmeringen in ons leven zijn, wanneer er moeilijkheden oprijzen, goede vrienden, bedenkt het toch: Het is niet mogelijk, dat er moeilijkheden rijzen zonder dat Gods Geest die zou overwinnen. Bedenkt het toch, goede vrienden, dat wanneer er in Uw “zijn” zich iets voordoet, dat Gods geest in den weg zou staan, het moet en kan worden overwonnen.

Wanneer wij bedenken, dat Zijn liefde zoo groot is, dat Hij ons geschapen heeft in Zijn beeld, in Zijn gestalte, door ons het vermogen te geven met onzen wil zelf een weg te kiezen, zelf een weg te gaan, dan weten wij ook hoe wij in liefde nauw met Hem verbonden zijn, opdat onze wil gelegd moge worden in het verlengde van den Zijnen, opdat ons “zijn” inderdaad moge worden: Een manifestatie, een uitleven en uitdragen van den Wil des Vaders, en de kracht Gods door ons moge spreken.

Wij spreken vandaag in ernstige woorden tot U, zooals wij dat telkens en telkens weer doen. Goede vrienden, Gij hebt zoovele gaven ontvangen, Gij hebt zooveel binnen Uw bereik gekregen – wat houdt u terug het geboorterecht, dat Gij hebt, op te eischen? Wat is het? Waarin wankelt Gij dan? Hebt Gij het geloof, dan hebt Gij hoop. Dan is de liefde in U. Wanneer Uw geloof sterk is en aangewakkerd wordt door al het goede, dat op Uw weg geplaatst werd, dan zal de hoop in U ook vermeerderen en ook Uw verwachting. De uitstorting des Geestes kan dan plaats vinden.

Goede vrienden, vervolgt Uw weg, bouwt U zelf op (zooals wij ons zelf opbouwen) in een geestelijk bewustzijn, een Goddelijk, geestelijk “zijn” in ons. Laat ons daarbij telkens en telkens weer blijven stilstaan. Laat dàt de kern zijn van ons leven. Laat ons inderdaad van daaruit alle andere zaken, die zich op onzen levensweg voordoen, benaderen. Dan zal het goed wezen.

Wanneer wij het geestelijk, Goddelijk bewustzijn in ons zien en beleven als het eigenlijke ware “zijn”, dan kunnen omstandigheden des aardschen levens ons niet langer in den weg staan. Dan zijn er moeilijkheden, om overwonnen te worden. Maar dan is de kracht om die moeilijkheden te overwinnen ook in ons.

Gods Geest getuigt met de onze, dat wij geesteskinderen des Vaders zijn. Dat Zijn Geest in ons leeft. Dat wij een erfdeel op te eischen hebben. Dat wij Zijn kracht, Zijn macht, Zijn liefde die alles overwint, die is en blijft eeuwiglijk – in ons dragen.

Zet dan alle vensters open en ontsluit de deuren, opdat iedereen dit licht moge zien uitstralen. Opdat het vuur, dat in ons is, kracht moge winnen doordat de wind van tegenstand het aanwakkert. Opdat het vuur, dat in ons is ook inderdaad verteren moge al datgene, wat onrein, onwaardig, wat des “zelfs” is. Opdat God Zelf brande in ons met een helder licht, waardoor de duisternis van alles om ons heen verlicht moge worden!

Wij bevelen U aan deze woorden te overdenken. Wij bevelen U aan méér dan dat: U te confronteren met het beeld van den Vader, dat Gij kent. Wij bevelen U aan los te worden van alle verstandelijke overwegingen, van alle beredeneeringen, opdat het zuivere geestelijke bewustzijn – dat mogelijk is in een ieder van ons – in allen doorbreken moge. Opdat het bezit moge nemen van het “zelf” dat ons nog zoo dikwijls in den weg staat om de volle glorie van het kindschap Gods te kunnen aanvaarden.

God zegene U.

Amen