Samenkomen in de Opperkamer
Contact

Voor vragen, informatie en ervaringen nodigen wij u uit ons te e-mailen.

info@samenkomenindeopperkamer.nl

22 Maart 1954

Mijn goede vrienden, in de dagen van weleer, in de landen hier ver vandaan, in het Oosten van wat Gij Uw wereld noemt, de aardsche wereld, past men wanneer men samen komt met het Allerhoogste, de reinigingswetten toe. Die zijn verschillend in de diverse gebieden, die Gij kent en waarover Gij gehoord en gelezen hebt. Maar allen komen zij neer op het ééne zelfde punt, n.l.: dat men – wanneer men de Godheid benadert – aflegt al datgene, wat mogelijkerwijze afgelegd kan worden, omdat het niet in overeenstemming is met het hoogste en het machtigste, het rijkste en het edelste – dat wij God noemen.

Zoo heeft men van oudsher in Uw wereld – en in de onze – wanneer men benaderen ging den Heer van het Zijn, Die is en blijft, zich steeds gereinigd van alles wat van het “zelf” is, opdat de glans en de pracht en de heerlijkheid van Zijn nabijheid niet verduisterd kon worden.

Willen wij zoo vanavond ook bijeen komen, goede vrienden. En afleggende al wat van ons “zelf” is, Hem zoeken, Hem zien, in ons zelf en in den ander.

Laat ons zoo – ontledigd van ons “zelf” – samen komen om Hem dank en lof en eer te brengen voor Zijn “zijn” in ons – in ons midden en in ons persoonlijk. En laat ons dan biddende opzien tot Hem, opdat wij geleerd mogen worden van Zijn wijsheid – die alle wijsheid is – en, groeiende in Zijn liefde, meer en beter Zijn beeld uitdragen tot den naaste.

Zoo willen wij vanavond hier met U, goede vrienden, samen zijn: Hem zoekende, van Hem wijsheid ontvangende, groeiende in de liefde – die in ons is – tot God in ons en in den ander, opdat wij van hieruit ieder onzen eigen weg mogen vervolgen, beter in staat om te beantwoorden aan het doel, dat gesteld werd voor ons zijn in de omstandigheden, waarin wij moeten verkeren. De taak vervullende die het zijn in dit leven voor ons beteekent: Zijn wil te doen, Zijn beeld uit te dragen, opdat het Koninkrijk van God moge komen.

Vrienden, wij willen U vanavond gaarne spreken over een enkel woord, dat grooten invloed heeft gehad op de geschiedenis van het menschdom. Wij denken hier aan de woorden:

“Vergadert U geen schatten op de aarde, waar roest en mot ze verteren zullen, maar vergadert U schatten in den hemel,” in het Hemelsche Rijk.”

Daarover willen wij vanavond gaarne met U spreken, omdat er velerlei misverstanden heerschen omtrent de boodschap, die dit woord voor de menschen beteekent – nu en thans evenzeer, als dit het vroeger reeds heeft gedaan.

“Vergadert U geen schatten op de aarde.” Men heeft, wanneer men in de Christelijke wereld – waarin Gij zijt – de Godheid benaderd heeft gemeend, dat hierin de bedoeling gelegen is, dat men afstand zou nemen van al hetgeen op de aarde en in de aardsche sfeer aan U en aan anderen werd toevertrouwd aan materieel bezit. Welnu, in zekeren zin is dit ook zoo. Er is daarvan een afstand nemen.

Het Woord vervolgt aldus: “Waar U schat is, daar zal ook Uw hart zijn.” Nu hebt Gij eigenlijk hierin het antwoord op de vele vragen, die met betrekking tot het eerst aangehaalde woord gerezen zijn.

Is het de bedoeling van den grooten Meester geweest, dat wij arm en naakt door de wereld zouden gaan? Zeker, inderdaad, zoo is het de bedoeling. Zoo voelt Gij zelf de aandrang daartoe. Maar niet in de beteekenis, dat Gij – afstand doende van al hetgeen het zijn in Uw wereld U bieden kan – ook inderdaad in materieel opzicht afstand daarvan zoudt doen en het zoudt weggooien.

Neen, goede vrienden, zoo – menen wij – is dat Woord niet bedoeld, maar: “Vergadert U geen schatten op de aarde, want waar Uw schat is daar zal ook Uw hart ziin.”

Hoe waar is dit Woord! Schatten der aarde! Inderdaad: Schatten om afstand van te doen, indien daarmede Uw hart verbonden is – en met het hart bedoelen wij: Het hoogste “zelf”, dat Gij hebben kunt. Wanneer Gij op zoo intieme wijze met de schatten der aarde verbonden zijt, dat Uw hart daaraan verloren is – aan de materieele schatten – doe er afstand van, mijn vrienden, inderdaad.

Schatten der aarde: Goud, edelstenen, pracht en pronk, macht en wellust – wat meer wilt Ge hebben – ook de kennis, de boekenwereld, die Gij kent en zoekt (de kennis daarin opgetast is veelal slechts het verstandeljk vermogen van anderen, dat op die wijze tot Uw beschikking wordt gesteld). Is Uw hart daarmee verbonden? Hebt Ge het verpand aan die schatten? Is dat zoo, mijn vrienden? Inderdaad, doet er afstand van. Gij kunt er niet het vermogen uit opbouwen om geestelijk op te stijgen. Gij kunt er niet de kracht uit putten om het leven in geestelijk bewustzijn verder voort te leven.

Maar de schatten, die Gij aldus afwijst, hebben een beteekenis. Die kunnen bezieling hebben. Gij kunt met die aardsche, materieele bezittingen woekeren. Gij kunt er rente van opbrengen - een geestelijke rente – wanneer Gij de benadering van de “schatten der aarde” inderdaad verricht vanuit het besef, dat Gij Uw hart verpand hebt (Uw hart gelegd hebt) in de schatten die Gij optast in hoogere, geestelijke werelden.

Mijn vrienden, dit woord behoeft nadere uitweiding en wij willen gaarne pogen daar verder met elkaar over te spreken:

Wanneer Gij de “hemelsche schatten,” waarvan de groote Meester gesproken heeft, vergadert voor Uzelf en wanneer Gij Uw hart, Uw “zijn,” daarin gevonden hebt, dan hebt Gij inderdaad de grootste aller schatten vergadert: Een schat, die nimmer door roest verteerd kan worden, waar geen mot aan knagen zal. Een schat, die is en blijft en groeien zal, zoolang Gij die schat bewaart, waar hij bewaard moet worden.

Dat is niet op een veilige plaats buiten alle beroering, buiten alle gedrang van menschen en van de werelden. Dat is de plaats in Uw “zelf.” Het is uw “zijn.” Het is Uw ware, eigen “ik”, zoo gij wilt.

Wanneer Gij geconcentreerd gericht zijt op die schat, wanneer Gij zoo het middelpunt in Uw bestaan gevonden hebt en – zooals wij gezegd hebben – vanuit dat middelpunt de beweging van Uw leven laat verlopen, dan zult Gij zien, dat vanuit dat middelpunt al hetgeen met U verbonden is, ook bezieling gaat ontvangen en geestelijke waarde verkrijgt, waardoor het aardsch bezit, de aardsche macht, de aardsche autoriteit, de aardsche kennis, het verstandelijk vermogen, ja, wat al niet, geestelijke waarde en geestelijke beteekenis verkrijgt.

Goede vrienden, dat is het waanaar wij streven. De bemoeienis, die wij in onze wereld met de aardsche menschen hebben, is er op gericht, dat Gij een geestelijk bewustzijn – dat bij U groeiende is – aanwakkeren zult. Dat Gij vanuit Uw geestelijk bewustzijn als middelpunt ook inderdaad Uw leven gaat richten en laat leiden, en dat Gij de beweging van Uw “zijn” zich doet ontwikkelen van daaruit.

Dat hebben wij tevoren reeds betoogd. Nu gaan wij verder met hetgeen destijds daarover reeds werd gezegd:

Wanneer Gij het juiste middelpunt hebt gekozen en de beweging vindt plaats vanuit dat middelpunt en iedere andere beweging wordt daarin opgenomen, dan kunt Ge verwachten, dat Uw “zijn” – individueel en persoonlijk, zooals Gij zijt – ook inderdaad aan kracht gaat toenemen en dat al hetgeen dat met Uw “zelf” verbonden is, vervuld zal worden van de kracht vanuit het middelpunt. Dan kunt Ge verwachten, dat Christus, dien Gij in dat middelpunt gesteld hebt, ook inderdaad zal uitstralen door al hetgeen Uw wezen is.

Nu weet ik wat Gij zeggen zult: “het aardsch bezit – hoe het ook genaamd mag worden – is niet verbonden met mijn wezen in den zin, dat ik er geen afstand van zou willen doen.” Inderdaad, doet er afstand van in den zin, dat Gij het niet de plaats in het middelpunt geeft, dat Gij Uw hart er niet aan verpand hebt, omdat Gij Uw hart gesteld hebt op de schat, die is en blijft. Dan zult Ge zien hoe van daaruit inderdaad het materieele, aardsch bezit (de kennis, de macht, de autoriteit, de pracht en praal en wat al niet dat Gij vergaderen kunt) bezield en begeestigd zal worden vanuit het middelpunt van Uw “zijn”. Dan worden die “schatten” middelen om het geestelijk besef onder de menschen te verkondigen en aan te wakkeren, zoodat Ge – vanuit het middelpunt levende en de beweging van Uw “zijn” van daaruit geregeld en gericht wetende – ook inderdaad uitstralen zult in alle beweging van het “zijn”, alle beweging van Uw leven: Geestelijke, werkelijke kracht, die zal dringen tot bewondering en die aantrekkingskracht zal uitoefenen, die anderen zal mee sleuren (op hun wijze) in de beweging, die onstaat vanuit het middelpunt van Uw leven.

Goede vrienden, de kern van de zaak is niet gelegen in de schatten, maar de kern is gelegen in het punt waar Uw hart gevestigd is, zooals het Woord werd gesproken. Inderdaad, het middelpunt, het hart, daarom gaat het. Wanneer het middelpunt gelegen is in het rijk van bezit van schatten van aardschen aard, zult Gij een andere kans noodig hebben om het middelpunt juist te leggen en dan is er tijd en moeite verloren gegaan.

Wij komen vanavond samen, zooals telkens weer wanneer wij hier in deze “opperkamer” bijeen zijn, om U te helpen gericht te blijven op dat middelpunt. Om met U samen te zoeken naar al datgene wat mogelijkerwijze de ontwikkeling van het Christus-besef in ons en de groei daarvan naar buiten in den weg zou kunnen staan. Gaat na voor U zelf waar Uw hart ligt.

Waaraan hebt Gij Uw hart verpand? Is het wellicht, dat Gij in contact met de geestelijke wereld gekomen zijt, omdat het bewonderenswaardig of omdat het interessant was? Welnu, goede vrienden, dat is onvoldoende. Wanneer Gij hier komt in het besef te willen dienen, omdat Gij tezamen het middelpunt van ons “zijn” wilt benaderen, dan hebt Gij daar uw hart gelegd. Dan kunt Gij inderdaad – met ons – verklaren, dat wij de schat gevonden hebben, de schat die in volle bewegelijkheid is gekomen. Een schat die is: het geboren zijn in Christus en Christus in ons, als de spil, de as van ons bestaan.

Wij hebben daarover nog vele woorden te zeggen.

Wanneer wij met U zouden spreken over de individueele levens die Gij leidt, zouden wij wellicht op vele plaatsen fouten begaan, omdat wij de menschen zien, zooals Gij elkander ziet – zij het ook, dat wij scherper zien, omdat veel, wat in het verkeer tusschen de aardsche menschen versluieringen opwekt, voor ons weg valt. Maar wij kunnen de plaats, die Gij inneemt en innemen moet, niet zien en doorgronden. Wij kunnen niet beoordelen wie en wat Gij zijt, anders dan dat Gij zijt: Broeders en zusters in de verbondenheid – de liefde – die wij voelen, van God uit, voor U, zooals Hij is in ons.

Maar wij willen toch samen een weg trachten te bewandelen. Wij willen toch samen een richting zoeken en – die richting gevonden hebbende – die vervolgen. Dat is de reden, waarom wij met U samen komen.

De verbondenheid die wij hebben in Hem, zoeken wij hier te demonstreren en te bewijzen. Wij zoeken U duidelijk te maken, dat vanuit de geestelijke werelden om U heen (waarin Gij leeft, en zoo goed als wij) een nauwer en steeds hechter band mogelijk is tusschen ons allen, die geroepen en gegrepen zijn door de liefde Gods in ons – opdat wij tot medewerking mogen komen, opdat het voleindingsplan inderdaad uitgevoerd kan worden, opdat wij (schepselen van den eenen Vader, kinderen van den zelfden God) inderdaad éénheid zullen brengen onder de menschen, hoe gericht en hoe geaard zij ook mogen zijn.

Ons samenzijn hier is daar op gericht, dat Gij U bewust zult zijn – en het uitdragen zult aan anderen – dat er een grootere wereld is, dan de wereld die alleen wordt opgemerkt door de stoffelijke oogen van aardsche menschen: Dat er een wereld is van het geestelijk “zijn”, een geestelijk rijk, waarin Gij in kunt gaan, waarin wij gezamenlijk bijeen kunnen komen, zooals nu - en beter nog, zooals wij ieder van ons persoonlijk in de stilte van het eigen “zijn” beleven kunnen hoe wij deel uitmaken van een groot, geestelijk geheel.

Welnu, goede vrienden, wanneer wij schatten willen verzamelen, laat ons dan geestelijke gaven zoeken. Laat ons dan – bewustzijn hebbende van het geestelijk “ik”, dat in ons leeft en dat wij deelen met vele anderen – ook inderdaad grijpen naar het geestelijk goed, dat voor ons beschikbaar is.

Wanneer wij het middelpunt gekozen en gevonden hebben en wanneer van daaruit de beweging voor ons ‘zelf” is onstaan en wordt voortgestuwd, kunnen wij niet anders doen, dan zorgen, dat dat middelpunt steeds wordt vrij gehouden. Dan moeten wij er voor zorgen, dat de kracht, die daar ontwikkeld is, ook vrij kan uitstralen. Dan moeten wij er voor zorgen, dat al hetgeen de beweging vanuit het middelpunt in den weg zou staan, wordt opgeruimd doordat wij de kracht – die in het middelpunt opgetast wordt – inderdaad de kans geven zich te verhogen en grooter kracht te ontplooien. Zoo is het, goede vrienden.

Wanneer wij het middelpunt weten – en er in berusten dat het daar is en dat er daar kracht ontwikkeld wordt – en er verder niet actief deel aan nemen, welk nut ware ons het middelpunt zelf? Welk nut ware ons de juiste keuze, die wij gedaan hebben – met verstand of met gevoel, of op welke andere wijze ook? Maar wanneer ons geheele “zijn” gericht is op dat middelpunt (d.w.z. dat wij gevoelens en verstand en krachten en machten en wat al niet, dat ons gegeven is, daaraan verbonden en vast geklonken weten en van daaruit bezield laten zijn), ja, dan zullen wij inderdaad uitdragers kunnen wezen van het volledige beeld van God in ons, waartoe wij bestemd en geroepen zijn.

Goede vrienden, bij dat werk staat de aardsche mensch geenszins alleen. Weet het toch, beseft het toch, ervaardt het toch. Wanneer Gij werkende zijt aan Uw eigen groei – want het is een natuurlijke groei, die inderdaad bewerkt moet worden doordat Gij volledige medewerking geeft en alle tegenstand opruimt – wanneer Gij daarmede bezig zijt, wanneer Gij bezielt zijt met dat verlangen en daarop gericht zijt, hoe velen zijn er dan om U heen, die hun bestaan willen bewijzen, die ingrijpen willen en U duidelijk willen laten zien hoe eigen ervaring (uit deze wereld en andere werelden) U van nut kan zijn.

Goede vrienden, de tijd gaat voorbij, dat de geestelijke vrienden om U heen waren en slechts zachtjes en vaak zonder opgemerkt te worden hun bemoeienissen aan U deden. Gij zult het wellicht beleven – nu of althans in de naaste toekomst – dat er sprake kan zijn van een samengaan in harmonie, in éénheid, tusschen de aardsche menschen en de geestelijke vrienden van andere sfeer. Wanneer Gij erop gericht zijt, dat wij slechts samenkomen, opdat het Koninkrijk Gods in ons grooter moge worden, wanneer Gij dàt slechts zoekende zijt, dan zijt Gij gevrijwaard van alle bemoeienissen van wat minder is.

Wanneer Gij Uw hart op de juiste plaats hebt gelegd, wanneer Gij Uw hart (waar Uw schat mede verbonden is) hebt gelegd in de geestelijke, hemelsche sferen en van daaruit alle bezit dat Ge hebt, alle mogelijkheden, die U gegeven zijn laat doorstralen, dan zult Gij zien, hoe er een samenwerking is – in een grooter verband dan deze kleine kring, die Gij kunt zien, alsmede van de “ongeziene” vrienden, die hier aan deelnemen.

Wanneer Gij de schatten zoekt, die weggelegd zijn voor ons als geestelijke wezens, Christenen, in de ware beteekenis van het woord (n.l. degenen, die den Christus in zich dragen en zoeken in den ander) – wanneer Gij weet, welke mogelijkheden er voor ons weggelegd zijn en wanneer Gij die zoekt en wanneer Gij van daaruit het bezit en de kansen in de aardsche sfeer wilt benutten, dan kunnen – door Uw bemiddeling – de geestelijke vrienden ook inderdaad bewerken (door Uw “zijn” en door de activiteit, die voortvloeit uit uw “zijn”), dat het stoffelijk bestaan dat Gij in deze sfeer leidt wordt: een verheffing van geestelijk bewustzijn.

Goede vrienden, wij hebben vanavond veel gesproken en de woorden tot U gericht vereischen, dat Gij er aandacht aan geeft. Wij hebben met klem tot U gesproken – zooals steeds wanneer wij hier samenkomen.

Gij denkt wellicht: Er is voldoende tijd. Neen, er is weinig tijd. Wij zijn samen gekomen om het werk te verhaasten. Wij zijn gekozen, op zijde gezet, hier bijeen gebracht, opdat wij – elk van ons persoonlijk en als groep en kring – een werk mogen voltooien, een werk dat op ons wacht. Niemand onzer kan zich toestaan het werk te laten wachten.

Laat ons zoo dan van hier gaan, gericht op het middelpunt, dat gesteld werd en laat ons – vanuit dat middelpunt – alle schatten aan mogelijkheden, die ons gegeven worden (zij het geld, zij het goed, zij het praal, zij het macht, wat het ook zij, kennis, bijzonder vernuft) bezielen met het besef, dat wij daarin mogen uitdragen. Laat ons die “schatten” gericht houden op het middelpunt van ons “zijn” en ze benutten, opdat de naam van God groot gemaakt moge worden, opdat het Koninkrijk kome, en de Wil geschiede van Hem, Dien wij zoeken te dienen in den ander, omdat Hij is in ons.

Amen.