Samenkomen in de Opperkamer
Contact

Voor vragen, informatie en ervaringen nodigen wij u uit ons te e-mailen.

info@samenkomenindeopperkamer.nl

9 November 1953

Goede vrienden,

Wij willen vanavond spreken over de aspecten van het geven van richting aan ons leven en het vervolgen van die richting op verschillende wijzen, naar onze eigen geaardheid. Dat wil zeggen: De geaardheid van het tekort, dat in ons is en dat aanvulling behoeft voor en aleer wij het opwaartse pad volledig vervolgen kunnen. Wij willen in dit verband het volgende opmerken:

Wij hebben de grootste eerbied en bewondering voor de arbeid, die verricht wordt door hen wier leven gewijd is aan meditatie. Ja, mijn goede vrienden, zo is het. Het moge U enigszins verwonderlijk toeklinken, dat wij, die altijd in onze gesprekken met U en in de woorden hier in deze opperkamer tot U gesproken, aangespoord hebben tot een actief en bewust Zijn, uitspreken onze bewondering en onze dankbaarheid voor de arbeid, die verricht is geworden en nog steeds verricht wordt door hen wier leven aan meditatie en contemplatie is toegewijd. Wij willen daar ter verduidelijking een nader woord aan toevoegen.

Wij hebben de meditatie zien betrachten in Uw wereld en deze wordt eveneens als een levenstaak vervolgd door velen in andere sferen, dan de aardse sfeer waarin Gij thans verkeert. Wij hebben gezien hoe in de aardse sfeer daaromtrent verkeerde begrippen ontstaan zijn bij hen wier leven gericht moet zijn op een actieve deelname aan de zakelijke belangen van het stoffelijk wereldgebeuren. Welnu, wij mogen U daaromtrent thans iets naders mededelen.

Zij, die de roeping gevoelen om het aardse leven, het leven in de stof, vaarwel te zeggen voor zover zulks mogelijk is en zich terug te trekken in meditatieve verblijfhuizen – of dat zij alleen, of in gemeenschap met anderen – hebben een bijzonder tekort, hetwelk op die wijze voor henzelf wordt aangevuld. Maar hun taak gaat verder dan dat. Wij kunnen het U wellicht het beste op deze wijze verklaren: Diegenen, die vrienden van ons, die hooggeplaatste geestelijke wezens, die zich terugtrekken moeten uit de aardse sfeer om in meditatieve beschouwing van al het aardse en het inzicht verkregen omtrent de hogere sferen, die daar hun tijd, hun Zijn, hun gehele wezen aan moeten wijden – omdat zij het voelen als de innerlijke drang waaraan bevrediging gegeven moet worden willen zij de rust vinden – zij zijn degenen, die in voorgaande levens hoog gestegen waren, die veel ervaringen hebben opgedaan en die, voor zichzelf wellicht, een wijle behoeven waarin al dat zielsbezit uitgezocht, als het ware gesorteerd moet worden, waar al die rijkdom op de juiste plaats moet worden gerangschikt, opdat zij kunnen zijn het schitterend juweel waartoe wij allen voorbestemd zijn.

Dat is één zijde van de taak die zij verrichten. De andere is deze – en Gij begrijpt dit wellicht – dat van die kluizenaarsverblijven, die kloosters in het westen zowel als in het oosten, uitgaat over het rond der aarde en verder nog in alle sferen, een machtige straal van opgeheven zijn, van eensgericht zijn naar het enige grote doel, dat Gij en wij kennen. Eén richting wordt gegeven aan het denken en doen van het geestelijk leven dezer wezens, die in afzondering van het aardse, éénwording zoeken met den Vader zelf, uit hun pogen tot opstijgen, uit het éénworden in henzelf van alle gegevens, alle ervaringen, die zij in voorgaande levens en in dit leven bereikten – zowel op het stoffelijk plan, als op een verhevener doel – groeit een kracht, een kracht die ons allen opheft. Wij hebben dankbaarheid voor die arbeid. Grote erkentelijkheid past ons allen voor diegenen, die hun ervaringen gehad hebben, die de innerlijke drang gevolgd zijn en die zich teruggetrokken hebben, afgebroken hebben de banden die hen verbonden met het aardse en die nú als het ware reeds opstijgen. Wij spraken U er reeds van, dat in onze sferen, waar het stoffelijk kleed afgelegd is, ook diegenen zijn voor wie de tijd van meditatie aangebroken is. En er zijn er velen, grote groepen en enkelingen, die op deze wijze werken voor hun eigen volmaking en daarmede ons allen opheffen.

Gij, goede vrienden, zijt geen van allen zoals Gij hier zijt, voorbestemd in dit leven een dergelijke taaksvervulling te volgen. U wacht de strijd in het aardse bestaan. Van U is verwacht, en Gij voelt allen die innerlijke drang, om ordening te brengen in Uw zaken in dit leven op een wijze die past en overeenstemt met de plaats, die Gij in dit leven toebedeeld kreegt. Waarom, wij zeiden het reeds. Omdat Uw tekortkomingen op deze wijze aangevuld kunnen en moeten worden.

Het gaat er in iedere levensphase om, dat wij een “goed” verwerven, dat tekort kwam aan onze uitrusting. Deze periode van Uw Zijn is bestemd om ook Uw ervaring aan te vullen, Uw wezen te completeren. Gij moet dit compleet bereiken, doordat Gij in de plaats waarin Gij thans gesteld zijt actief werkzaam deelneemt aan het leven van de aardse mens, opdat Gij door dit aardse tijdelijke Zijn heen, het eeuwige beleven kunt.

Wij spraken U de vorige maal, dat wij bijeen kwamen over de noodzakelijkheid dat impulsen en hartstochten en driften gericht worden op het hoogste doel, het Eeuwige Zelf, op God den Vader en dat daardoor iedere handeling van ons Zijn, iedere daad, iedere gedachte en de oorsprong daarvan, van geestelijke oorsprong zou wezen en een geestelijke richting zou kennen.

Zo is het, mijn vrienden, dat is Uw taak en de plaats die Gij vervullen moet. Hoevelen gaan er rond op de aarde en in plaats dat hun Zijn verrijkt wordt doordat zij genoegdoening kennen met de aanvaarding van de plaats die hun thans werd toebedeeld, streven zij naar het innemen van een andere plaats. Wij denken hierbij niet aan de promotie en promotiekansen in aardse zin, dat is een geheel andere kwestie. Hoevelen zijn er onder Uw vrienden, en wellicht onder Uzelf niet, die menen dat zij verkeerd geplaatst werden, dat zij anders toegerust hadden moeten zijn voor de taak in dit leven, die zij vervullen moeten. Welnu, goede vrienden, gelooft het van ons, wij spreken hier met het gezag dat gebaseerd is op dieper inzicht: Niemand Uwer kon beter geplaatst worden dan zoals Gij geplaatst zijt, om de tekorten van Uw Zelf aangevuld te krijgen. Het gaat er bij U niet om dat Gij U terugtrekt uit deze wereld. Gij moet met de U ten dienste staande talenten en eigenschappen woekeren en ijveren om dáárin de volmaking van Uw Zelf, wat voor thans voor U voorbestemd is, te bereiken. Het is een strijd, het is een actief Zijn.
Hoe vervult het ons bijna met wanhoop, wanneer wij zien hoe in Uw aardse sfeer, in de christelijk west-europeese wereld, waarin Gij leeft, velen zich verschuilen achter het woord van God, het Heilig Boek, waarin zij menen de aanduidingen te vinden om stil te zijn, volstrekt stil, zonder enige activiteit, uit te schakelen de wondere kansen die zij krijgen door het vermogen actief deel te nemen aan het Zijn in het stoffelijk leven. Hoe wanhopig maakt het ons en de andere vrienden, die met ons deze zaken bewaken en overzien, wanneer wij opmerken hoe het woord, dat leeft, gemaakt werd tot de regel, die doodt. Wij willen U daaromtrent vanavond niet al te uitvoerig spreken, het zou ons te ver voeren, maar bedenkt het zelf, mijn vrienden. Hoe vaak hoort Gij uit de mond van vrienden en bekenden, de woorden aangehaald, woorden van een diepere geestelijke betekenis, die als het ware verstoffelijkt zijn doordat zij in letterlijke, woordelijke zin toegepast worden; toegepast op een wijze, waaruit het begrip voor de geestelijke achtergrond der dingen geenszins meer blijkt. In dergelijke gevallen is de kans die geboden wordt in dit leven voorbijgegaan, omdat men niet bewust geestelijk heeft willen aanvaarden datgene, wat God de Vader, die U en ons plaatste daar waar wij geplaatst zijn, voor ons had voorbestemd, voor het goed van onszelf en van het mensdom.

Telkens weer moeten wij U eraan herinneren, zoals wijzelf er telkens opnieuw weer aan herinnerd worden, dat wij gelden, van belang zijn, niet om onszelf alleen, maar omdat ín ons de opheffing of de nederdaling van het mensdom als geheel mogelijk is.

Welnu, mijn goede vrienden, wij hebben gesproken over de waarde der meditatie en wij willen daar iets nader nog over spreken, omdat Gij ieder van U in het leven van alledag, het leven waarin Gij thans geplaatst zijt en waaraan Gij actief deelnemen moet, de tijden moet erkennen, waarop Gij U terugtrekken kunt en moet, opdat de krachten die om U heen werkzaam zijn ter opheffing van Uzelf en door U van anderen, met U kunnen beraden; waarop Gij sterkte kunt opdoen, waarop krachten vernieuwd kunnen worden. Dit kan onmogelijk geschieden, wanneer Gij voortgaat de alledaagse zaken van het dagelijkse leven, op alledaagse, d.w.z. stoffelijke wijze te benaderen.
Wanneer Gij wilt vervolgen de weg, die voor U opengesteld is, wanneer Gij de plaats wilt vervullen, die Gij inneemt, zoals deze vervuld moet worden, dan moet Gij, zoals wij zeiden, leven uit geestelijke kracht, putten uit de bron van die kracht. Dan moet Gij inderdaad, stoffelijk levende, geestelijk gericht zijn en blijven. Daartoe hebt Gij nodig onder al die activiteit, het punt van rust waarop Gij door meditatie als het ware Uw Zelf kunt leren rangschikken, Uw ervaringen kunt overzien en de plaats geven die aan ieder dier ervaringen toekomt. Dat kunt Gij niet wanneer er gejaagdheid is. Dat kunt Gij niet wanneer er geen ordening is. Let wel mijn vrienden, wij spreken van orde en van regelmaat, maar waarschuwen daarbij – ogende op het dodelijk element dat in reglementering gelegen is – op het gevaar, dat aan overdreven belangstelling voor ordening verbonden kan zijn. De ordening die Gij moet hebben in Uw leven, moet zijn elastisch, opdat Ge naar gelang de ervaringen verworven worden, ook Uw ordening kunt laten variëren in dezelfde mate, dat Gij verrijkt en bewust weet. Maar ordening en regelmaat zijn noodzakelijk.

Wij komen hier samen op hetzelfde uur van dezelfde dag van iedere week. Daar is ordening, die goed is. Wij komen gaarne samen met U op deze plaats in de opperkamer, steeds op dezelfde wijze, want wij blijven dan gericht naar dit punt. Wij blijven dan samengetrokken op dit punt en van hieruit vervolgen wij onze weg, ieder van ons gesterkt doordat wij het regelmatige punt van rust en ordening gekend hebben.

Zo moet Gij de dag van Uw leven leren indelen. Zo moet Gij inderdaad ieder uur van die dag leren indelen, opdat daardoor de ordening U in staat stelt U te voltooien zoals Gij zijn moet. Dat is de taak van hen, die, actief levende, toch de waarde kennen van de meditatieve zijde van het geestelijk Zijn. Die zijde kent en waardeert Gij, als wij. Maar hebt Gij daarvan ook reeds het gebruik?

Wij denken nu niet dat Gij de afzondering zoekt en de banden verbreekt met alles wat met het dagelijks leven, waarin Gij een plaats vervullen moet, verband houdt. Maar kent Gij voor Uzelf de waarde van het stil-zijn? Het inkeren tot Uzelf? Leert Gij dan niet, wanneer Gij die waarde ondervonden hebt, om onder alle omstandigheden in te keren tot dat punt in Uzelf? En dat centrum in Uw wezen gevonden hebbende, daaruit als het ware te leven? Want van daar uit vloeit de kracht door Uw Zijn, omdat Ge het punt gevonden hebt waar de ordening van eigen wezen begint. Niet als een voldongen en vaststaand feit, geenszins, maar als het punt waartoe Gij terugkeren moet en kunt, telkens en telkens weer, omdat Gij verrijkt zijt geworden door ervaringen, door overwinningen in aardse ogen gezien en meer nog, door de nederlagen die Gij geleden hebt. Wanneer Gij zulke ervaringen opdoet, dan verandert de rangschikking, dan verandert de ordening van Uw eigen wezen. Daarmede moet Gij voortdurend het contact onderhouden.

Zoekt het, mijn vrienden, zo Gij het nog niet gevonden hebt, dat innerlijke punt van rust, van kracht, het centrum van Uw Zijn, want in dat centrum vloeit in de Almachtige Zelf, van daaruit beïnvloedt Hij Uw denken en Uw doen, Uw activiteiten en Uw meditatie. Uw leven in de plaats waarin Gij gesteld zijt, is het leven wat Gij nodig hebt ter verrijking, ter aanvulling van Uw tekort. Gij moet actief strijden, actief zijn in ieder aspect van Uw wezen, om die verrijking te bereiken. Maar dat is alleen mogelijk wanneer Gij ondanks en onder de nauwe verbondenheid met het stoffelijk leven waarin Gij een plaats vervult, inkeren kunt, telkens weer, voortdurend zelf, tot dat punt, het centrum van Uw wezen, van waaruit Gij moet leren te leven.

Mijn vrienden, onze woorden schieten tekort, ook nu weer. Wij hebben de grootste moeite om voor deze begrippen, die voor ons – die anders leven dan Gij – zo volkomen duidelijk zijn, ook duidelijke taal te vinden die gebezigd moet worden, wilt Gij met het verstandelijk apparaat dat te Uwer beschikking staat, begrijpen en volledig in U opnemen datgene wat wij bedoelen. Maar wij zijn niet bang, dat onze woorden verloren zouden gaan, want wij spreken een taal door onze vrienden, zoals nu, die slechts benadert datgene wat gezegd moet worden, maar de taal die Gij hoort met het stoffelijk gehoor-apparaat is een weerklank, een echo van de taal die gesproken wordt en verstaan wordt in het binnenste van U. Dat is voldoende.
Onze woorden, zoals die thans tot U klinken en in het verleden tot U geklonken hebben, zijn feilbaar. Een verkeerde woordkeus, een verkeerde uitdrukkingswijze, onvoldoende duidelijk gekozen, is betreurenswaardig. Wij hebben zo vaak reeds gewaarschuwd voor de gevaren die ons bedreigen wanneer wij uitdrukking zoeken te geven aan datgene wat zo subtiel is, dat het slechts door het gevoel geleerd en verstaan kan worden.

Welnu, in Uw binnenste is een fijner en scherper apparaat, dat hoort en ziet. Wij weten, dat hoezeer onze woorden tekort mochten schieten, het innerlijke van een ieder Uwer verstaan en begrijpen kan, datgene wat gezegd wordt.

Wij gaan dan samen onze weg, ieder van ons, tevreden en dankbaar voor de plaats waarin wij thans zijn, want dát is de plaats voor ons, waarin de Vader Zich-zelf voltooien wil in een ieder van ons.

Ja zeker mijn vrienden, zo is het. God de Vader wil volledig in ons Zich-zelf openbaren. Dat is niet teveel gezegd, ofschoon wij ten volle weten hoe groots en hoe machtig U en ons die gedachten moet aandoen, God de Vader Zelf, wil in ieder van ons Zichzelf voltooien. Daartoe en daartoe alleen zijn wij thans die wij nu zijn, geplaatst waar wij nu zijn. Ontloopt die kansen niet, mijn vrienden, sluit U niet af. Ontvlucht toch niet de moeilijkheden die de overwinningen moeten worden. Ontvlucht toch niet de beproevingen, die in aardse zin, Uw nederlagen worden kunnen. Vergeet het niet. Ofschoon Gij slechts ziet dat kleine deel van Uw eigen wezen, dat Gij thans betrachten kunt, achter U staat reeds zoveel van wat des Vaders is, wat gestalte aannam, wat groeien wil en groeien kan en moet. Want Gij en wij, wij zijn geroepen door Christus-in-ons, om dát te zijn en dát te werken wat ons tekort aanvullen kan.

Wij danken U, goede vrienden, wij danken U voor de aandacht waarmede Gij geluisterd hebt met innerlijke gevoelens naar de woorden tot U gesproken.

Wij laten U niet alleen voor deze grootse taak, die veel te groot is om door ons op menselijke wijze alleen aanvaard te worden. Wij wijzen U op de bron van kracht in Uzelf, op dat centrum in Uw leven waar Gij het contact hebt, waar een direct en breed kanaal vloeit van God tot U, dat uitmondt in Uw eigen Zijn. Laat dat kanaal steeds vrij en onbelemmerd nieuwe krachten toevoeren. Keert daar naar terug, niet alleen wanneer Gij dorstig geworden zijt, maar brengt de ordening in Uw Zijn, opdat Gij leven kunt vanuit dat centrum in Uw wezen, waar Gij dagelijks en ononderbroken het nauwste contact met den Schepper Zelf onderhouden kunt.

Amen.